Rb. Zeeland-West-Brabant 16 januari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:265

stuiting en schorsing van de verjaring door collectieve actie ex art. 3:305a BW, aandelenlease, buitengerechtelijke vernietiging ex art. 1:89 BW door echtgenote Dexia stelt dat de bevoegdheid tot vernietiging reeds was verjaard. Gedaagde stelt dat de verjaring is gestuit en geschorst door de Eegaleaseprocedure. De eis in die procedure is ten dele toegewezen bij vonnis d.d. 25 augustus 2004, maar Dexia heeft hoger beroep ingesteld, waardoor het vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan. Vervolgens is een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze vaststellingsovereenkomst behoort mede gelet op de samenhang met de Duisenberg-regeling niet te worden opgevat als een intrekking van de daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316, lid 2 laatste volzin, BW. Die collectieve actie in de Eegaleaseprocedure was de eerste stap in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden en heeft daarom de verjaring van vorderingen van individuele belanghebbenden met soortgelijke vorderingen gestuit. Een andere opvatting zou de toepassing van art. 3:305a BW onaanvaardbaar beperken. Het persoonlijke karakter van de vernietigingsbevoegdheid ex art. 1:89 BW verzet zich niet tegen stuiting van de verjaring door een ander. De regeling van art. 3:316 BW is niet afgestemd op de collectieve actie ex art. 3:305a BW dat negen jaren later is ingevoerd. Een redelijke toepassing van art. 3:316, lid 2, BW brengt mee dat in dit geval het beëindigen van de Eegalease-procedure vanwege het tot stand komen van de Duisenberg-regeling moet worden gelijkgesteld met een toewijzend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. De conclusie is dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid door de Eegaleaseprocedure is gestuit en geschorst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen