Rb. Zeeland-West-Brabant 20 december 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:10057
Weigering handhavend op te treden tegen luchtvaartmaatschappij o.g.v. Wet luchtvaart. Verzoek om compensatie o.g.v. Verordening (EG) Nr. 261/2004 vanwege vertraging is door de luchtvaartmaatschappij afgewezen, wat heeft geleid tot een handhavingsverzoek o.g.v. de Wet luchtvaart. Eisers hebben terecht opgemerkt dat de bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.15, sub b, Wet Luchtvaart een bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid betreft en dat afdeling 5.3.1 van de Awb daarop van toepassing is. Civiele vervaltermijn a.b.i. art. 8:1835 van het BW leidt niet tot verval van de (bestuursrechtelijke) handhavingsbevoegdheid. Geen sprake van onaanvaardbare doorkruising van het civiele recht. Niet valt in te zien waarom voor het indienen van een handhavingsverzoek een termijn van een jaar wordt ingesteld, terwijl een civiele vordering tot twee jaar na de vlucht kan worden ingesteld. In dit geval kan de late indiening – bijna drie jaar na de vertraagde vlucht – worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid. Aannemelijk is dat een dermate late indiening de luchtvaartmaatschappij ernstig belemmert in de mogelijkheid tot verweer, wat een zorgvuldig onderzoek moeilijk maakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl