Rb. Zutphen 31 augustus 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BX8117
Er is sprake van verzet tegen een kort geding vonnis in Arnhem. De opposant beroept zich op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Arnhem. Dit wordt gehonoreerd. De voorzieningenrechter vernietigt het Arnhemse vonnis niet, maar verwijst naar Zutphen. De voorzieningenrechter Zutphen acht zich niet bevoegd om het Arnhemse vonnis te bekrachtigen of te vernietigen. Hij behandelt de zaak na wijziging van eis op tegenspraak en wijst de oorspronkelijk vordering toe. Een koper laat de koopovereenkomst inschrijven in de openbare registers, de zogenoemde Vormerkung. Wat is de positie van een opvolgende koper, die geconfronteerd wordt met een na de Vormerkung ingeschreven recht van hypotheek. De wetsgeschiedenis geeft geen eenduidig antwoord. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de eerste koper ten behoeve van de tweede koper de bescherming inroepen van artikel 3:7 BW en dus van de hypotheekhouder verlangen dat hij meewerkt aan het doorhalen van zijn hypothecaire inschrijving. Sluit de procedure van 3:29 BW uit dat de voorzieningenrechter de hypotheekhouder veroordeelt om op straffe van een dwangsom mee te werken aan doorhaling van zijn hypotheekhouder? De voorzieningenrechter oordeelt dat dat niet het geval is. Van een verkapte verklaring voor recht in de zin van artikel 3:302 BW is naar zijn oordeel geen sprake.
De uitspraak op rechtspraak.nl