Rb. Zutphen 9 mei 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BW5204
Herroeping adoptie, Termijnoverschrijding toegestaan Wetsverwijzigingen: BW 1:230, 1:231, 1:232 Wanneer het verzoek tot herroeping van de adoptie wordt gehonoreerd, heeft dat ook voor de dochter van de adoptiefouders en voor de zonen van de biologische moeder (en overige familieleden) gevolgen voor hun familierechtelijke betrekkingen. Ook voor hen worden bestaande familierechtelijke betrekkingen verbroken dan wel herleven familierechtelijke betrekkingen die door de adoptie hebben opgehouden te bestaan (artikel 1:232 lid 2 BW). Er is in hun geval echter geen sprake van verwantschap in de rechte lijn, maar in de zijlijn. De vraag rijst of zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt in de onderhavige procedure. De rechtbank ziet aanleiding om voor de beantwoording van deze vraag aansluiting te zoeken bij de situatie waarin een man erkenning van zijn kind wenst, terwijl hij met een andere vrouw dan de moeder van het kind gehuwd is, zoals verwoord in artikel 1:204 lid 1 sub e BW. Het toewijzen van een verzoek tot erkenning heeft voor de gezinsleden van de erkenner immers vergelijkbare gevolgen als de toewijzing van een verzoek tot herroeping van een adoptie voor de gezinsleden van de biologische ouder: er ontstaat een nieuwe familierechtelijke situatie, louter op grond van biologisch ouderschap. In de hiervoor geschetste situatie van erkenning heeft de wetgever voor ogen gehad dat het belang van het kind bij het ontstaan van een juridische afstamming prevaleert boven het belang van de echtgenote en kinderen van de biologische vader. Uit de wetsgeschiedenis Kamerstukken I 24 649 11a pagina’s 4/5 blijkt dat dit zover gaat dat de wettige echtgenote van de aanstaande erkenner en de kinderen uit dat huwelijk geen belanghebbenden zijn en zij niet automatisch op de hoogte komen van de erkenning. De motivering daarbij is dat de wetgever hierin geen taak voor de overheid ziet: het is in de eerste plaats de man die zijn echtgenote van een en ander op de hoogte dient te stellen. Zou de overheid hierin treden, dan wordt daarmee een terrein betreden dat de privacy van de betrokkenen vergaand raakt. De rechtbank komt tot een overeenkomstige overweging en beslissing ten aanzien van de kinderen (en overige familieleden) van de biologische moeder in de onderhavige zaak. Ook voor de biologische moeder geldt dat het in de eerste plaats aan haar is om haar kinderen (en eventueel andere familieleden) al dan niet op de hoogte te stellen van het bestaan van verzoekster en van haar standpunt ten aanzien van het onderhavige verzoek. Inmenging van buitenaf daarin betekent voor haar een vergaande inbreuk op haar privacy. Dit klemt temeer nu zij – al op hoge leeftijd en emotioneel zeer geraakt door de achtergrond van de zaak – heeft aangegeven het verzwijgen van het bestaan van verzoekster niet (meer) te willen doorbreken. Of een dergelijke vergaande inbreuk op haar privacy niettemin gerechtvaardigd is in verband met rechtens te beschermen belangen van derden die zwaarder wegen, wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord. In de onderhavige zaak dient (herstel van) de juridische afstamming van verzoekster te prevaleren boven mogelijke belangen van de betrokken broers of andere familieleden. Deze dienen tegen die achtergrond en hetgeen hiervoor is overwogen, in de onderhavige procedure daarom niet als belanghebbenden te worden aangemerkt. Het feit dat de (overige) kinderen van de biologische moeder en eventuele verdere familieleden door toewijzing van het verzoek een familielid ‘opgedrongen’ zouden krijgen, maakt dit oordeel niet anders. Het ‘opgedrongen’ krijgen van verzoekster als familielid levert volgens de rechtbank geen inbreuk op op het eigen family life van desbetreffende kinderen of andere familieleden. Zelfs als een dergelijke inbreuk wel zou moeten worden aangenomen, is de rechtbank van oordeel dat die inbreuk gerechtvaardigd is. Daarmee wordt aangesloten bij een uitspraak van de Hoge Raad van 25 maart 2005, LJN: AT0412. Het betrof in dat geval een procedure tot gerechtelijke vaststelling vaderschap ex artikel 1:207 BW. Daarin werd geoordeeld dat tegenover het recht op family life van de vader en andere betrokkenen een positieve verplichting van de Staat staat om ervoor zorg te dragen dat het kind de mogelijkheid wordt geboden familierechtelijke betrekkingen te doen ontstaan met zijn biologische vader. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het voor haar identiteit van bijzonder belang is dat er een juridische band met haar biologische ouders en met name met haar biologische vader ontstaat. Haar wens om te worden geaccepteerd als biologisch kind van haar ouders is een rechtens te rechtvaardigen belang, dat ook na jaren nog moet kunnen worden gerealiseerd. Dit geldt temeer nu in het verleden sprake was van – in haar woorden – ‘het grote zwijgen’, waarvan zij de negatieve gevolgen met zich meedraagt, zij door haar omgeving bewust onkundig gehouden is van haar achtergrond en in de waan is gelaten dat haar biologische afstamming haar op enig moment bekend zou worden gemaakt. De herroeping van de adoptie effent voor haar tevens de weg tot het gerechtelijk doen vaststellen van het vaderschap van haar biologische vader, hetgeen zij bij afzonderlijke procedure aan de rechtbank heeft verzocht. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat de herroeping van de adoptie rust in haar leven zal brengen. Zij wil dat haar afstamming voor haar zelf, haar directe omgeving maar ook voor de buitenwereld kenbaar wordt. Daarnaast bestaat er een medisch belang voor haar en haar zoon bij het vaststellen van haar biologische afstamming (vaderszijde) in verband met het (her)kennen van erfelijke ziekten. De toepasselijke wetsartikelen: 1:231 BW, 8 EVRM, 798 Rv, 1:204 lid 1 sub e BW, 1:207 BW
De uitspraak op rechtspraak.nl