Rb. Zutphen 4 mei 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4872
Rechtbank veroordeelt 22-jarige man uit Lochem tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 9 maanden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal ‘overvallen’, te weten (1) op een man die van zijn Porsche is beroofd, midden in de nacht, op de openbare weg, (2) op een echtpaar op hoge leeftijd in hun woning en (3) samen met een ander op een taxichauffeur, zij het dat het bij een poging is gebleven. Verdachte wordt verdacht van het plegen van meerdere feiten. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het grootste deel van deze feiten. De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 (06/850337-11) bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit het bekijken en beluisteren van de audiovisuele opnamen is gebleken dat de antwoorden van verdachte niet juist op papier zijn gezet en is naar de mening van de raadsman gehandeld in strijd met artikel 29 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald op welke wijze een proces-verbaal dient te worden opgemaakt en aan welke vereisten het dient te voldoen. Voor het overige heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat het verzuim niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt, maar wel rechtsgevolgen voor de hoogte van de straf moet hebben. De op te leggen zal met drie maanden gevangenisstraf worden verlaagd. De overige verweren welke de raadsman heeft aangevoerd, worden door de rechtbank verworpen. Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum, maar hij heeft geweigerd mee te werken. Op grond van de rapporten kan geen sluitende conclusie worden getrokken over de vraag of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ook de vraag naar de mate van toerekenbaarheid kan niet worden beantwoord. De rechtbank houdt het er dan ook voor, dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. De officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren. Gelet op de ernst van de strafbare feiten, verdachtes enorme strafblad waaruit een aanzienlijk recidivegevaar kan worden afgeleid en de omstandigheid dat geen inzicht is gekregen in de achterliggende redenen van het delictgedrag van verdachte, kan ter bescherming van de maatschappij niet anders dan met een aanzienlijke vrijheidsstraf worden volstaan. Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) jaren. Gelet op het voorgaande ten aanzien van de geconstateerde schendingen in een aantal van de politieverhoren, zal een strafkorting van drie (3) maanden worden toegepast. Dit leidt aldus tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren en negen (9) maanden. De vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden zal worden toegewezen. De vorderingen van de benadeelde partijen zullen – nu deze niet zijn weersproken – worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De uitspraak op rechtspraak.nl