Rb. Zutphen 8 februari 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BP3544

In de zaak tegen verdachte [naam bedrijf] VOF lag de vraag voor of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. In de onderhavige zaak is van belang op welk tijdstip de vervolging is aangevangen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vervolging is aangevangen op 27 oktober 2009, op welke datum een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. De raadsman is van mening dat op 26 oktober 2010, het moment van dagvaarden, de vervolging is aangevangen. Onder de (BOB-)gedingstukken bevindt zich een ‘Vordering doorzoeking ter inbeslagneming (art. 110 Sv)’ in het kader van een op overtreding van artikelen 2 jo. 10 Opiumwet en artikel 4 Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën gestoelde verdenking jegens (onder meer) [naam bedrijf] VOF. De officier van justitie vordert daarbij de rechter-commissaris machtiging te verlenen terzake twee in de vordering genoemde adressen. De rechter-commissaris heeft bij beslissingen van 21 oktober 2009 de vordering toegewezen. Op 27 oktober 2009 hebben onder leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen op beide adressen plaatsgevonden. De vervolging van [naam bedrijf] VOF is derhalve aangevangen door het betrekken van de rechter-commissaris in de zaak van verdachte op 16 oktober 2009. Hieraan doet niet af dat de vordering zich richtte op twee woonadressen, niet zijnde vestigingsadres(sen) van [naam bedrijf] VOF.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen