Rb. Zutphen 21 december 2006, ECLI:NL:RBZUT:2006:BA0893
Vennootschapsrecht. V.o.f. verhuurt jachtwerf aan een vennoot, die de vennootschap onder firma opzegt op een termijn van anderhalf jaar. De andere vennoot beroept zich op zijn statutair voortzettingsrecht. Daarop trekt de ene vennoot - bijna een jaar later en drie weken voor de datum waartegen was opgezegd – zijn opzegging in. Beide vennoten wenden zich ex art. 96 BRv tot de kantonrechter, waarbij de ene vennoot ontbinding van de vennootschap vraagt onder toedeling aan hem van de onderneming van wie hij huurt, terwijl de andere vennoot met name een verklaring voor recht vordert dat hij de onderneming van de vennootschap voortzet. Kantonrechter: De opzegging kon statutair zonder opgaaf van redenen geschieden, zodat – anders dan bij ontbinding – de oorzaak van de verslechterde verhouding tussen de vennoten niet van belang is. De intrekking van de opzegging sorteert geen effect, gelet op art. 3:37 lid 5 BW. Het einde van de vennootschap maakt geen einde aan de huur. Het is in casu naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om, vlak voordat de eigen opzegging effect sorteert, ontbinding te vorderen met het kennelijk oogmerk daarmee het voortzettingsrecht van de andere vennoot te frustreren.
De uitspraak op rechtspraak.nl