Rb. Zutphen 29 augustus 2006, ECLI:NL:RBZUT:2006:AY7098
Naar het oordeel van de rechtbank treft het betoog van eiseres in zoverre doel dat verweerder niet toereikend heeft gemotiveerd waarom voormeld advies van de Rijksdienst kon worden gepasseerd. De enkele overweging dat het beroep van de derde partij op artikel 18 van de Mon.wet van doorslaggevende betekenis is, is daartoe onvoldoende nu niet is gebleken dat verweerder zich een zelfstandig oordeel heeft gevormd omtrent de vraag in hoeverre met de aanvraag een wezenlijk belang van het belijden van de godsdienst in dat monument in het geding was. Dit klemt des te meer nu eiseres de aanwezigheid van dit belang gemotiveerd heeft bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder eerst de wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst in het betrokken monument te benoemen en zich vervolgens een oordeel te vormen of en in hoeverre die wezenlijke belangen met het onderhavige beschermde kerkinterieur in het geding zijn. Dat de door de derde partij gewenste verwijdering van het volledige kerkinterieur een nieuwe inrichting van de kerk mogelijk maakt die past in het liturgisch beleid van Hervormde gemeente Borculo brengt niet zonder meer met zich mee dat met (de verwijdering van) het volledige kerkinterieur wezenlijke belangen van de godsdienst in het monument in het geding zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl