Rb. Zutphen 30 maart 2006, ECLI:NL:RBZUT:2006:AV9081
Betreft een kind van 3 jaar. Moeder had van rechtswege alleen het gezag, de biologische vader heeft het kind niet erkend. In mei 2005 is de moeder overleden. Omdat het kind al veel bij oma(moederszijde) verbleef, heeft oma de opvoeding en verzorging op zich genomen. Door de kantonrechter is de voogdij-instelling benoemd tot voogd in verband met de strijd tussen oma en de biologische vader over de opvoedingssituatie van het kind. Vervolgens is door de rechter de biologische vader toestemming verleend tot erkenning van het kind. In beide beschikkingen is overwogen dat een eventuele overgang naar de vader zeer zorgvuldig en goed voorbereid dient te geschieden. Daartoe dient eerst een onderzoek te worden verricht naar de belangen van het kind en op welke wijze een overgang zo geruisloos mogelijk kan plaats vinden. Vervolgens heeft de voogdij-instelling beslist dat zij op grond van haar bevindingen wijzigingen in de woon- en verblijfplaats van het kind gaan inzetten, middels uitbreidingen van de reeds bestaande omgangsregeling met de vader. De voorzieningenrechter beveelt de uitbreiding van de omgangsregeling op te schorten, omdat de instelling de belangen van het kind zelf heeft beoordeeld maar geen diepgaand onderzoek naar de ontwikkeling van het kind en de betekenis van een wijziging van de verblijfplaats door een deskundige heeft laten uitvoeren. Tevens wordt in verband met de opschorting bevolen het kind in de gemeente van de woonplaats van oma in te schrijven, in overeenstemming met hetgeen de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens hierover voorschrijft. Dit alles ten verbeurte van een dwangsom.
De uitspraak op rechtspraak.nl