Rb. Zutphen 10 september 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AR2213

De raadsvrouwe van verzoeker heeft voor de strafzitting gepoogd de afgegeven toevoeging te doen muteren in een voorwaardelijke toevoeging. Bij toekenning van de vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering zou de toevoeging worden ingetrokken. Verzoeker zou dan een vergoeding voor de gemaakte kosten voor rechtsbijstand krijgen. De rechtbank is echter van oordeel dat in het door verzoeker aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2004 LJNAO4098 wordt overwogen dat in het Wetboek van Strafvordering niet is voorzien in de mogelijkheid van een voorwaardelijke toevoeging in die zin dat die toevoeging komt te vervallen indien de gewezen verdachte nadat de zaak is geëindigd, in aanmerking komt voor een toekenning van een vergoeding op de wet van artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Verder wordt in het arrest overwogen dat artikel 31 van de Wet op de Rechtsbijstand niet voorziet in het afgeven van een onvoorwaardelijke toevoeging in strafzaken. In deze zaak is de afgegeven toevoeging niet ingetrokken. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de Staat niet een derde is op wie de kosten van rechtsbijstand kunnen worden verhaald. Het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering wordt derhalve alleen toegewezen met betrekking tot indiening en mondelinge behandeling van het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank wijst het verzoek voor het overige af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen