Rb. Zutphen 31 maart 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AO7147

Artikel 11 WUG en artikel 40 lid 4 Wet BIG en de KNMG gedragsregels hebben een gemeenschappelijk doel, namelijk het voorkomen van een verstrengeling van de belangen van de verschillende beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg in het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. In dit geval gaat het om een verstrengeling van het belang van patiënten om vrijelijk een apotheker te kiezen en het (geldelijke) belang van huisartsen bij het verwijzen van een patiënt naar een bepaalde apotheek. De vraag is of de afspraken tussen de huisartsen en de apotheker een dergelijke belangenverstrengeling impliciet inhouden, mede gelet op het verbod in artikel 18 BUA. Nu de wetgever het kennelijk (nog) niet noodzakelijk acht om overeenkomsten te verbieden, waarbij bijzondere voordelen zijn bedongen, kan dit ook niet tot het oordeel leiden dat alleen zo'n overeenkomst op zichzelf een onrechtmatige belangenverstrengeling inhoudt. Dit geldt ook voor het vragen van "goodwill" voor de vestiging van een apotheek/uitdeelpost in het bedrijfspand van de huisartsen. Kennelijk laat de wetgever dit soort vestigingsovereenkomsten over aan de markt en acht de wetgever zo'n overeenkomst niet in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Dergelijke afspraken zijn daarom ook niet in strijd met artikel 18 BUA, noch met de zorgvuldigheid, die in het maatschappelijk verkeer betaamt. In combinatie met een actief beleid van de huisartsen om hun patiënten over te laten schrijven naar die apotheek, zou het geheel van afspraken tussen de huisartsen en de apotheker wel kunnen wijzen op een belangenverstrengeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen