Rb. Zutphen 20 maart 2002, ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4060
Na vernietiging ontslagbesluit behoeven de niet genoten vakantiedagen en niet verricht overwerk niet gecompenseerd te worden, nu dit een feitelijk gevolg is van het ontslagbesluit en geen rechtsgevolg. Eiser is m.i.v. 9 februari 1996 ontslagen. Op 16 december 1999 heeft de Centrale Raad van Beroep dit ontslagbesluit vernietigd. In de tussentijd heeft eiser werkzaamheden verricht als taxichauffeur. Eiser is van mening dat verweerder een vergoeding dient te betalen gelijk aan het salaris over de verlofuren die hij, ware hij in dienst gebleven, had kunnen opnemen. Bovendien is eiser van mening dat verweerder ten onrechte niet de vergoeding voor het structurele overwerk heeft meegenomen voor de berekening van het achterstallig salaris. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep vernietiging van een ontslagbesluit meebrengt dat de rechtsgevolgen van dat besluit zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Ten aanzien van de verlofuren overweegt de rechtbank, verwijzend naar de artt. 4.2 ARAR jo art. 2.a en 2.f BBRA 1984 dat een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen niet tot de bezoldiging behoort. De rechtbank vindt voor dit oordeel tevens steun in art. 22.9 en 22.10 ARAR. In lid 9 is namelijk bepaald dat de ambtenaar die in het geheel geen dienst verricht, geen aanspraak heeft op vakantie. In lid 10 wordt hierop een uitzondering gemaakt voor een aantal daarin met name genoemde situaties, waarin niet werken niet leidt tot een korting op de opbouw van vakantieverlof. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de situatie waarin eiser verkeert niet in die opsomming wordt vermeld. Daarbij komt dat blijkens de tekst van dit artikel en ook blijkens de nota van toelichting, deze opsomming als limitatief moet worden beschouwd. Voorts overweegt de rechtbank dat art. 22 ARAR niet een regeling kent als die neergelegd in art.7: 635 eerste lid, aanhef en onder d, BW. In dit laatste artikel wordt de opbouw van vakantierechten -in afwijking van de hoofdregel dat geen vakantie wordt opgebouwd indien geen arbeid wordt verricht- wél voortgezet indien geen arbeid is verricht tegen de zin van de werknemer. Tenslotte overweegt de rechtbank dat het opnemen van vakantiedagen impliceert dat de ambtenaar niet behoeft te werken en toch zijn bezoldiging ontvangt. Nu eiser zijn bezoldiging over de in het geding zijnde periode heeft ontvangen, voegt het al dan niet (kunnen) opnemen van vakantiedagen niets toe aan de hoogte van zijn inkomen over deze periode. Dat hij, naar hij stelt, over die periode geen vakantiedagen heeft kunnen opnemen is geen rechtsgevolg, maar een feitelijk gevolg van het ontslagbesluit, dat achteraf niet ongedaan kan (en evenmin behoeft te) worden gemaakt. Ten aanzien van vergoeding voor overwerk overweegt de rechtbank dat hiermee terecht geen rekening is gehouden, aangezien ook een vergoeding voor overwerk, gelet op hetgeen in dit verband onder bezoldiging moet worden verstaan, niet daaronder begrepen is. In het ARAR komt geen andersluidende bepaling voor. Op grond van art. 23 BBRA 1984 kan de ambtenaar een vergoeding worden toegekend indien hij in opdracht van het bevoegde gezag (gedurende een uur of meer per dag) overwerk verricht. Die vergoeding bestaat, gelet art. 23.7 slechts uit een bedrag in geld, als het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, en derhalve, als het dienstbelang daarvoor geen beletsel vormt, in de eerste plaats uit verlof. De omstandigheid dat eiser in de periode dat zijn dienstverband met verweerder onderbroken is geweest, geen overwerk heeft kunnen verrichten is een feitelijk gevolg van het ontslag en geen rechtsgevolg, nu eiser ook als hij ononderbroken in dienst van verweerder was gebleven en al aangenomen dat hem overwerk zou zijn opgedragen, daarvoor niet zonder meer aanspraak had gehad op een vergoeding in geld. Het vorenstaande houdt naar het oordeel van de rechtbank overigens wel in dat verweerder, daar waar hij geen rekening behoeft te houden met niet verricht overwerk van eiser in de periode van 9 februari 1996 tot 1 maart 2000, bij de vaststelling van eisers (op zijn achterstallige bezoldiging in mindering te brengen) inkomsten uit arbeid over die periode eveneens buiten beschouwing dient te laten de daarin naar eisers zeggen begrepen vergoeding voor overwerk. Verweerder heeft zich overigens ook bereid verklaard zijn berekening te herzien indien eiser inzage geeft in de overuren die hij als chauffeur heeft gemaakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser degene is die genoegzaam aan dient te tonen wat de hoogte van de inkomsten uit dit overwerk is geweest. Ongegrond beroep. Minister van Justitie, verweerder. mr. M.J. van Lee
De uitspraak op rechtspraak.nl