Rb. Zutphen 9 april 2001, ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0950

Besluit tot terugvordering op grond van overeenkomst van geldlening is geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Bezwaar tegen besluit tot terugvordering van leenbijstand in verband met aanschaf van een woonwagen ongegrond verklaard. Op 5 maart 1975 is aan de echtgenoot van eiseres op grond van het toenmalige Besluit bijstandsverlening woonwagenbewoners van 16 mei 1974 (Stb. 1974, nr. 359; hierna: het Besluit) bijstand in de vorm van een geldlening toegekend. Ingevolge punt 3 van de betreffende overeenkomst is de leensom of het onafgeloste gedeelte daarvan terstond opeisbaar bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de overeengekomen aflossingen. Deze overeenkomst tot geldlening dient te worden gekwalificeerd als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Dat deze overeenkomst is aangegaan op grond van een besluit ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) doet aan de kwalificatie van die overeenkomst niet af. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999 (RSV 1999/197 en NJ 1999/445). Aangezien de echtgenoot van eiseres in 1975 uit hoofde van voornoemde civielrechtelijke overeenkomst het nu verschuldigde bedrag heeft ontvangen wordt ook de vraag of de in die overeenkomst genoemde betalingsverplichtingen zijn overtreden, alsmede de vraag of op die grond het onafgeloste gedeelte van de leensom terstond opeisbaar is geworden, beheerst door de regels van het civiele recht. De omstandigheid dat met de inwerkingtreding van de Wet Boeten en maatregelen sociale zekerheid (hierna: Wet Boeten) per 1 juli 1997 de mogelijkheid is geopend om verleende bijstand via de bestuursrechtelijke weg terug te vorderen doet aan voornoemd oordeel niet af. Met de Wet Boeten is immers niet beoogd de kwalificatie van een overeenkomst als de onderhavige te wijzigen. Deze kwalificatie dient bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag volgens welke regels het terstond opeisbaar zijn van de leensom dient te worden beoordeeld. In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat verweerders besluit tot bijstandverlening d.d. 5 maart 1975 niet de voorwaarden bevat op de overtreding waarvan verweerder de onderhavige besluitvorming baseert. Voorts is van belang dat de leenbijstand destijds uitsluitend aan de echtgenoot van eiseres is toegekend, hetgeen met zich meebrengt dat een terugvordering van die bijstand van eiseres primair zijn grondslag vindt in de hoofdelijke aansprakelijkheid waartoe eiseres zich middels de civielrechtelijke overeenkomst heeft verbonden. Verweerders beslissing in primo houdt derhalve geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling in, zodat er - gelet op het bepaalde in art. 1:3, eerste lid Awb - geen sprake is van een besluit in de zin van dat artikel. Bestreden besluit vernietigd; bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder. mr. E.J.J.M. Weyers

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen