Rb. Zutphen 18 december 2000, ECLI:NL:RBZUT:2000:AA9474

Voor behalen titel na buitenlands examen is buitenlandse wet bepalend. Weigering toestemming tot het voeren van de titel meester (mr) op grond van een in Duitsland gevolgde juridische opleiding welke is afgesloten met een examen (Erste juristische Staatsprüfung) bij het Justizprüfungsamt van het Oberlandesgericht te Keulen, omdat eiser op grond van zijn examen geen titel heeft verkregen. Dat een in het buitenland verkregen titel is vereist voor het kunnen verlenen van toestemming tot het voeren van één van de titels, genoemd in art. 7.20, volgt reeds uit de tekst van art. 7.23.3 WHW. Voorts moet naar het oordeel van de rechtbank uit het systeem van de WHW en met name uit het bepaalde in de artt. 7.20 en 7.23 in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat van een op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs verkregen titel slechts kan worden gesproken, ingeval die titel bij of krachtens enige wettelijke bepaling van het betreffende land is verbonden aan (het met goed gevolg afleggen van) een examen als hiervoor bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat eiser op grond van het door hem afgelegde examen een zodanige titel heeft verkregen. Eiser heeft in dit verband slechts gesteld dat aan de "erste juristische Staatsprüfung" weliswaar geen wettelijk bepaalde titel is verbonden, maar dat het wel gebruikelijk is iemand die dit examen heeft gehaald "geprüfter Rechtskandidat"of "cand. iur." te noemen. Nu beide laatstgenoemde hoedanigheden echter niet bij of krachtens enige wettelijke bepaling verbonden zijn aan het door eiser afgelegde examen, kan niet worden gesproken van een op grond van dat examen verkregen titel en moet worden geoordeeld dat geen toestemming tot het voeren van één van de in art. 7.20 genoemde titels kan worden verleend. De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep te Groningen, verweerster. mr. M.J. van Lee

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen