Rb. Zutphen 29 augustus 2000, ECLI:NL:RBZUT:2000:AA7500
I.c. geen reden om art. 87e WAO, als zijnde onverbindend met art. 6 EVRM, buiten toepassing te laten. Aan eisers is door verweerder het gedifferentieerde premiepercentage ex WAO voor het premiejaar 2000 medegedeeld, waarbij als uitgangspunt is genomen de in 1998 aan de werknemers van eisers uitbetaalde WAO-uitkeringen. Rechtbank: Het is voor werkgevers ingaande 1 januari 1998 mogelijk geworden om besluiten aangaande de toekenning/herziening van WAO-uitkeringen aan hun werknemers in rechte aan te vechten. Voorts is het voor werkgevers mogelijk om ter zake van de voortzetting van reeds vóór 1 januari 1998 toegekende WAO-uitkeringen desgewenst besluiten van verweerder uit te lokken middels een verzoek om de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid van hun werknemers per 1 januari 1998 opnieuw te willen beoordelen, tegen welke besluiten desgewenst rechtsmiddelen zijn aan te wenden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het met ingang van 1 januari 1998 voor een werkgever mogelijk is een rechterlijk oordeel te verkrijgen ten aanzien van alle 'merits of the matter' van de premiebesluiten, ook waar dit betreft de op en na 1 januari 1998 aan hun werknemers toegekende dan wel voortgezette WAO-uitkeringen. Dat die rechterlijke toetsing gefaseerd in de tijd plaatsvindt, in die zin dat tegen de uitbetaalde WAO-uitkeringen op een eerder moment in rechte dient te worden opgekomen dan tegen de (mede op die uitbetalingen gebaseerde) premiebesluiten, doet aan het voorgaande niet af. Aangezien de eisende partijen de in 1998 aan hun werknemers uitbetaalde WAO-uitkeringen in rechte hebben kunnen aanvechten, echter zulks om hen moverende redenen hebben nagelaten, ziet de rechtbankin het licht van art. 6 EVRM geen reden om art. 87e WAO -als zijnde onverbindend- buiten toepassing te laten waar het betreft de toetsing van de juistheid van de door verweerder vastgestelde gedifferentieerde premie voor het premiejaar 2000. Nu de juistheid van de in 1998 uitbetaalde WAO-uitkeringen in verband met het bepaalde in art. 87e WAO geen rol kan spelen in het kader van de onderhavige premiebesluiten, is er geen aanleiding voor verweerder om in het kader van het bezwaar/beroep tegen die premiebesluiten inzicht te verschaffen in stukken van medische en/of arbeidskundige aard welke aan de uitbetaling van die WAO-uitkeringen ten grondslag liggen. Van een onaanvaardbare onevenwichtigheid in de respectieve processuele posities van partijen, welke strijdig zou zijn met de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eis van 'equality of arms', acht de rechtbank geen sprake. Derhalve dient van de juistheid van de in 1998 uitbetaalde WAO-uitkeringen te worden uitgegaan. Beroepen ongegrond. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. E.J.J.M. Weyers EVRM 6 WAO 2a, 87e Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Stb. 1997, 175, Wet Pemba)
De uitspraak op rechtspraak.nl