Rb. Zwolle-Lelystad 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BY0668
Verweerder heeft eiser met toepassing van de artt. 16:1:1 en 8:13 van CAR/LAR de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens door hem gepleegd plichtsverzuim. Rb.: Voor de Rb. staat vast dat eiser gedurende langere tijd kinderpornosites heeft bezocht en heeft bekeken. Naar het oordeel van de Rb. heeft eiser zich daarmee schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Van de kant van eiser is aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek naar de vraag of eiser daadwerkelijk kinderporno heeft gedownload, nog niet is afgerond. De Rb. stelt voorop dat in de onderhavige procedure niet de (zware) strafrechtelijke bewijsvoering geldt ten aanzien van de vraag of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, maar of voldoende aannemelijk is dat sprake is van (ambtenaarrechtelijk) plichtsverzuim. Hoewel eiser voor het enkel kijken naar kinderporno niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, is de Rb., zoals gezegd, van oordeel dat hetgeen eiser wel heeft erkend als zeer ernstig plichtsverzuim is aan te merken. De Rb. is dan ook van oordeel dat verweerder de resultaten van genoemd strafrechtelijk onderzoek niet hoefde af te wachten. De Rb. overweegt daarbij dat een goed ambtenaar zich niet alleen tijdens de dienstuitoefening, maar ook in zijn privéleven zodanig dient te gedragen dat hij als ambtenaar het vertrouwen van zijn werkgever niet beschaamt. Van een ambtenaar wordt aldus een hoog norm- en waardenbesef verwacht. De Rb. is van oordeel dat eiser met het gedurende langere tijd bezoeken en bekijken van kinderpornosites dit vertrouwen ernstig heeft beschaamd. Nu niet is gebleken dat de gedragingen eiser niet dan wel niet geheel kunnen worden toegerekend, was verweerder bevoegd eiser een disciplinaire straf op te leggen. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door eiser strafontslag te verlenen met ingang van 3 oktober 2011. De Rb. is van oordeel dat deze maatregel niet onevenredig is te achten met de aard en de ernst van de aan eiser verweten gedragingen. Daarbij heeft de Rb. overwogen dat de GGD zich voor een groot deel bezig houdt met jeugdgezondheidszorg en eiser met zijn gedragingen het werken bij deze instelling – ondanks dat eiser werkzaam was op een financiële afdeling – zelf onmogelijk heeft gemaakt. De GGD hoeft niet te tolereren dat een van de medewerkers zich met kinderporno inlaat, ook al heeft dat volledig in de privésfeer plaatsgevonden. Derhalve is er naar het oordeel van de Rb. geen sprake van een onevenredig zware sanctie.