Rb. Zwolle-Lelystad 25 november 2009, ECLI:NL:RBZLY:2009:BK4237

Vordering tot opheffing van verschillende beslagen en een vordering tot afgifte van een achttal auto's. Het beslag is gelegd op grond van gepretendeerde bestuursdersaansprakelijkheid van eisers als bestuurders van het inmiddels gefailleerde PVV. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet gebleken is van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat de door gedaagden gepretendeerde vordering op eisers ondeugdelijk is. Verder is overwogen dat de omstandigheid dat het totaal van de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaken, waarop gedaagden eveneens beslag hebben doen leggen, hoger is dan hun gepretendeerde vordering niet met zich brengt dat met het beslag op de onroerende zaken voldoende zekerheid is geboden. Voorts kan niet worden aangenomen dat eisers door de beslagen onevenredig in hun belangen worden getroffen. De vordering tot opheffing van de beslagen is daarom afgewezen. Ten aanzien van de auto's is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat moet worden aangenomen dat eiseres sub 2 eigenaar is van de auto's en dat haar een vordering tot afgifte van de auto's toekomt. Gedaagde sub 1 heeft de auto's op onrechtmatige wijze onder zich genomen. Een beroep van gedaagde sub 1 op het retentierecht kan onder die omstandigheden niet slagen. De vordering tot afgifte van de auto's wordt toegewezen met oplegging van een dwangsom.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen