Rb. Zwolle-Lelystad 25 januari 2006, ECLI:NL:RBZLY:2006:AV2065

Artikel 27, lid 2 Fw (bevoegdheid voor gedaagde die door (faillissements)schuldenaar wordt aangesproken om ontslag van instantie te vragen - om het risico te beperken dat proceskosten ontstaan die, ook als hij de procedure wint, te zijnen laste blijven, omdat zij noch op de schuldenaar noch op de boedel kunnen worden verhaald -) geldt ook in een situatie als deze, waarin de oorspronkelijk gedaagde bij verstek wordt veroordeeld, vervolgens de oorspronkelijk eiser in de WSNP terechtkomt en pas daarna verzet wordt ingesteld. Er kán dus ontslag van instantie worden verleend, maar dat zal de rechtbank (nog) niet doen, omdat de vraag is of opposant daar wel belang bij heeft. Dat heeft hij slechts indien door dat ontslag het verstekvonnis wordt vernietigd. Onder het sinds 2002 geldende procesrecht zou dat analoog aan artikel 148 Rv (verval van instantie) het geval zijn. Omdat de verstekprocedure evenwel dateer van vóór 2002, dient op grond van het overgangsrecht naar oud recht te worden geoordeeld en onder oud recht gold artikel 148 Rv niet en verviel het verstekvonnis niet doordat in de verzetsprocedure ontslag van instantie werd verleend. Voor het toepasselijke recht dienen de verstek- en verzetsprocedure als één geheel te worden beschouwd. Slotsom is dat het nog maar de vraag is of opposant belang heeft bij het verlenen van ontslag van instantie. In het vervolg van de procedure mag hij aangeven of hij zijn verzoek handhaaft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen