Rb. Utrecht 13 september 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8433

Verweerder heeft eiseres geïndiceerd voor een Zorgzwaartepakket en zich op het standpunt gesteld dat de regelgeving zoals deze luidt met ingang van 1 januari 2012 niet toelaat dat daarnaast nog additionele uren zorg worden geïndiceerd. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat hiervoor een wijziging van de wet in formele zin, de AWBZ, en het Besluit zorgaanspraken AWBZ is vereist. De rechtbank stelt, gelet op de tekst van de regelgeving, vast dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd meer zorg dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket uit te zonderen als vorm van zorg waarop de AWBZ aanspraak geeft. De uitspraak van de CRvB van 26 oktober 2011 duidt erop dat een uitzondering als nu in geschil niet alleen in de AWBZ zelf kan zijn neergelegd, maar ook in de daaronder hangende materiële wetgeving. Uit de artikelen 6 en 9a van de AWBZ volgt dat de formele wetgever ervoor heeft gekozen om de bevoegdheid om de aanspraak op zorg te regelen neer te leggen bij een materiële wetgever, te weten de Kroon. Op grond van artikelen 6 en 9a van de AWBZ zijn twee ambv’s genomen, te weten het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het Zorgindicatiebesluit. Hierin is uitgewerkt op welke vorm van zorg een verzekerde aanspraak kan maken. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2009 heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2011 de zorgaanspraak “verblijf” gewijzigd om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de aanspraak samen gaat met een pakket aan zorg en niet meer samen met de losse zorgfuncties persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling. In artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2012 onder c. de zorg voor zover het meer zorg betreft dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde zwaartepakket, uitgezonderd. De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat de meerzorg dan die is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket per 1 januari 2012 niet langer een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm van zorg is als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ. Het indicatieorgaan kan deze vorm van zorg dan ook niet meer indiceren. Dat artikel 6, eerste lid, van de AWBZ, in verbinding met artikel 2, derde lid, van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ volgens de CRvB in voornoemde uitspraak van 26 oktober 2011 meebrengt dat de objectieve zorgbehoefte van een verzekerde dient te worden vastgesteld, kan er naar het oordeel van de rechtbank niet toe leiden dat het indicatieorgaan onder het regime van de huidige wetgeving een indicatie kan afgeven voor vormen van zorg die door de materiële wetgever uitdrukkelijk zijn uitgezonderd. Dat dit kan betekenen dat verzekerden niet volledig wordt tegemoet gekomen in hun objectieve zorgbehoefte – hetgeen tussen partijen overigens niet in geschil is – is een gevolg dat de wetgever kennelijk heeft beoogd. Uit het voorgaande volgt dat de materiële wetgever deze keuze kon en mocht maken. Trefwoorden: <i>artt. 6, 9a en 9b AWBZ; artt.2 en 9 Besluit zorgaanspraken AWBZ; artt. 1,2 en 13 Zorgindicatiebesluit; artikel. 1a Regeling zorgaanspraken AWBZ indicatiestelling zorgzwaartepakket; bevoegdheid indicatie CIZ additionele zorg na 2012; bedoeling wetgever; reformatio in peius; overschrijding redelijke termijn</i>

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen