Rb. Utrecht 17 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4211

Eiser heeft ter zitting betoogd dat verweerder over de invoering per 1 december 2011 van het alcoholslotprogramma onvoldoende publieke voorlichting heeft gegeven, waarvoor eiser verwijst naar een brief van de Nationale Ombudsman aan de minister van Infrastructuur en Milieu. Ook eiser wist niet van het bestaan van de maatregel en de gevolgen daarvan in zijn situatie. Volgens eiser is het opleggen van maatregel op basis van een overtreding gepleegd twee dagen na de invoering ervan, dan ook in strijd is met de rechtszekerheid. De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van een gebrekkige publieke voorlichting, het alcoholslotprogramma per 1 december 2001 door een wetswijziging in de WVW in werking is getreden en dat verweerder dan ook gehouden was uitvoering te geven aan de (gewijzigde) wet. Dat eiser ten tijde van zijn aanhouding niet bekend was met het alcoholslotprogramma, komt voor zijn eigen rekening en risico en maakt niet dat oplegging van de maatregel in zijn geval in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt niet. Eiser stelt voorts dat de kosten van het alcoholslotprogramma niet inzichtelijk zijn gemaakt en dat het bestreden besluit op dat punt een voldoende deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank overweegt dat het opleggen van het alcoholslotprogramma op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW in samenhang met artikel 17, aanhef en onder b, van de Regeling imperatief is voorgeschreven, waarbij de wetgever ervoor heeft gekozen om de kosten van het alcoholslot en het begeleidende programma volledig voor rekening van de overtreder te laten komen. Dit is ook vastgelegd in artikel 132c, zesde lid, van de WVW. Voor wat betreft de verregaande consequenties van het opleggen van een alcoholslotprogramma voor eiser overweegt de rechtbank dat uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat de wetgever de hoge kosten, de beperking in mobiliteit en de omstandigheid dat een betrokkene niet langer voor zijn werk kan rijden in motorrijtuigen zonder alcoholslot, uitdrukkelijk heeft meegewogen. De wetgever heeft deze kosten en beperkingen voor de betrokkene gerechtvaardigd geacht. Dat de totale kosten van het alcoholslotprogramma voor eiser nog niet vaststaan, maakt daarom niet dat het besluit in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Het voorgaande betekent voorts dat individuele omstandigheden bij het opleggen van het alcoholslotprogramma geen rol kunnen spelen en ondergeschikt zijn aan het algemene belang van de verkeersveiligheid. Het betoog slaagt niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen