Rb. Utrecht 4 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3522

In onderhavig geschil heeft de kantonrechter overwogen dat de verplichting om een schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan er voor bedoeld is om bewijsproblemen en meer in het bijzonder een bewijsnood aan de zijde van een werknemer te voorkomen. Indien, zoals in onderhavig geval, een werkgever in strijd met een arbeidsvoorwaardenregeling en/of een CAO geen, althans meer dan drie jaar na de aanvang van het dienstverband een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft aangeboden, dan dient, zo overweegt de kantonrechter, de werkgever het (bewijs)risico voor eventuele onduidelijkheden over de afspraken over de uit te oefenen functie en de te verrichten werkzaamheden te dragen. Dit maakt dat in onderhavige casus, in afwijking van de hoofdregel van artikel 150 Rv, op grond van een bijzondere regel de werkgever dient te bewijzen dat partijen in maart 2006 hebben afgesproken dat de werknemer in dienst zou treden in functie van algemeen ondersteunend medewerker en dat zij de daarbij behorende werkzaamheden zou gaan uitvoeren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen