Rb. Utrecht 10 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1309

Jeugdzaak. In deze zaak is een Salduz verweer gevoerd. De raadsvrouw heeft -kort gezegd- aangevoerd dat de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring niet als bewijs mag worden gebezig, aangezien verdachte bij zijn eerder afgelegde bekennede verklaring bij de politie geen gebruik heeft gemaakt van zijn consultatierecht. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtstreeks gevolg van een voor het bewijs onbruikbare verklaring, van het bewijs dient te worden uitgesloten. Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag of van zo'n rechtstreeks gevolg kan worden gesproken, zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Voor zover de rechtbank al komt tot de conclusie dat de eerder bij de politie afgelegde verklaring onbruikbaar is voor het bewijs, is zij van oordeel dat in de onderhavige zaak niet is komen vast te staan dat de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting, is verkregen als een rechtstreeks gevolg van het feit dat verdachte zijn eerdere verklaring bij de politie heeft afgelegd zonder daarbij gebruik te maken van zijn consultatierecht. Zij acht daartoe van belang dat verdachte ter zitting is bijgestaan door zijn raadsvrouwe, die hem heeft kunnen adviseren wat te doen. Hij moet daarom in staat worden geacht om weloverwogen een keuze te hebben gemaakt ten aanzien van zijn proceshouding voor de terechtzitting. Zulks geldt te meer, nu de psycholoog die over de persoon van de verdachte heeft gerapporteerd, uiteen heeft gezet dat verdachte intelligent en vaardig genoeg is om te kunnen reflecteren op wat hij doet en op de keuzes die hij maakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen