Rb. Utrecht 2 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0635
Kop: stillegging werkzaamheden o.g.v. de Arbowet Trefwoorden: stillegging werkzaamheden, ernstig gevaar voor personen, opheffing stillegging, CROW-publicatie Wetsartikelen: art. 28 van de Arbowet, artt.3.2, 3.17 en 7.3 van het Arbobesluit Samenvatting: Het betreft vier gevoegd behandelde zaken tegen twee bevelen tot stillegging van de werkzaamheden en de opheffing van die stilleggingen. Bij de eerste stillegging vonden de werkzaamheden op of aan de openbare weg plaats. Volgens verweerder zou aanrijdgevaar voor de werknemers van eiseres bestaan en zouden zij terwijl dat gevaar bestond geen beschermingsmiddelen dragen. De rechtbank is van oordeel dat niet wordt voldaan aan figuur 96b-19 van de CROW-publicatie. De inspecteurs van de Arbeidsinspectie hebben in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de door eiseres verrichte werkzaamheden ernstig gevaar voor personen opleverden. Het beroep is ongegrond. De tweede stillegging betreft werkzaamheden met een hydraulische kraanmachine op een in de vaart drijvend ponton. De werkzaamheden zijn door de inspecteurs stil gelegd, omdat afrijd- en afglijdgevaar zou bestaan. Over het afglijdgevaar oordeelt de rechtbank dat niet valt in te zien waarom niet vanaf de oever door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie kon worden geconstateerd dat de ponton een antislipvloer had en dat de graafmachine rubberen rupsen had Evenmin valt in te zien waarom hierover aan de medewerkers van eiseres geen vragen zijn gesteld. Over het afrijdgevaar overweegt de rechtbank dat niet is doorgevraagd waarvoor de graafmachine werd gebruikt. Ter zitting is verklaard dat niet met de graafmachine werd gereden. Niet valt in te zien waarom dat niet op de dag van stillegging geconstateerd kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ontoereikende wijze een oordeel gevormd over het gevaar voor afrijden en afglijden. Het beroep is gegrond, de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Over de beroepen tegen de opheffingen van de stilleggingen overweegt de rechtbank dat eiseres met deze beroepsprocedures niet méér kon bereiken dan zij al heeft bereikt, te weten de intrekkingen van de bevelen tot stillegging. Dat eiseres het niet eens is met de motivering die aan die beslissingen ten grondslag is gelegd, creëert geen procesbelang. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl