Rb. Utrecht 30 mei 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW7486

Trefwoorden: aanwijzing, zorg, persoonsgebonden budget, inspectie, vakantie, last onder dwangsom, punitief, herstelsanctie, begunstigingstermijn, verbeurte, Wetsartikelen: artikel 5:20, eerste lid, van de Awb, artikel 5:21, aanhef en onder a, van de Awb, artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, artikel 6:18, eerste lid, van de Awb en artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, artikel 8, eerste lid, van de Kwz, artikel 10 van de Kwz Samenvatting: Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het voor eiseres mogelijk geweest binnen de gegunde termijn van drie dagen haar cliënten over te dragen aan andere zorgaanbieders en te stoppen met het aanbieden van zorg. Nu eiseres uitdrukkelijk volhoudt geen enkele zorg te verlenen, kan zij bezwaarlijk hard maken dat zij daarvoor meer dan drie dagen nodig heeft. Eiseres heeft geen feitelijke aanknopingspunten aangedragen die kunnen leiden tot de conclusie dat een termijn van drie dagen te kort is. In de aanwijzing van 15 juli 2011 heeft verweerder de mogelijke toepassing van de last aangekondigd. Verweerder heeft dan ook de begunstigingstermijn mogen stellen op drie dagen, mede in aanmerking genomen dat de aanwijzing al dateert van 15 juli 2011. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij aan de last voldoet, met name op het punt van de aantoonbare overdracht van cliënten, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf onvoldoende om de verbeurte van de dwangsom - zeker van deze omvang - te rechtvaardigen. Als verweerder direct na afloop van de begunstigingstermijn had willen vaststellen of eiseres zich nu wel of niet aan de last had gehouden, had het op de weg van verweerder of de IGZ gelegen om kort na afloop van de begunstigingstermijn een inspectiebezoek bij eiseres uit te voeren om te onderzoeken of zij uitvoering heeft gegeven aan de last. Ook de omstandigheid dat cliënten van eiseres weigeren over te stappen naar DC Zorg op Tijd is op zichzelf geen bewijs dat eiseres ook na 3 september 2011 nog zorg verleent, maar het is wel een sterke aanwijzing dat zij op dat moment wel zorg verleent en niet zorgdraagt voor een aantoonbare en op zorgvuldige wijze uitgevoerde overdracht van haar cliënten aan een andere thuiszorgorganisatie. De stelling van Engin ter zitting dat eiseres er weinig aan kan doen als cliënten niet naar de door Stichting InterMediCare aangeboden zorgaanbieder willen overstappen, volgt de voorzieningenrechter niet. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat Engin ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de brieven gericht aan Stichting InterMediCare mogelijkerwijs zijn geschreven door een medewerker van eiseres. Dat de individuele zorgontvangers zonder tussenkomst van eiseres, die als het ware een soort "kruispunt" is tussen de individuele zorgontvangers, identieke brieven zouden sturen, is te onwaarschijnlijk. Het moet er dus voor worden gehouden dat een medewerker van eiseres hier de hand in heeft gehad. Verder waren, zoals gezegd, de zorgdossiers van de cliënten van eiseres tijdens het inspectiebezoek op 3 oktober 2011 afwezig. Hierdoor is niet aantoonbaar bij welke cliënten zorg is beëindigd en hoe, aan wie en wanneer de zorg van de cliënten van eiseres is overgedragen. Daar komt bij dat de website van eiseres kort voor het inspectiebezoek van 3 oktober 2011 en ten tijde van de zitting met uitzondering van de homepage nog actief is. Deze omstandigheden in samenhang bezien leiden naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres op 3 2011 niet heeft voldaan aan de bij primair besluit I opgelegde last.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen