Rb. Utrecht 4 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1734
Vordering tot terugbetaling van invaliditeitspensioen dat volgens SBB ten onrechte aan gedaagde is uitgekeerd. Gezien de omstandigheden handelt SBB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar door gedaagde te houden aan zijn verplichting tot terugbetaling van het invaliditeitspensioen dat hem over de periode april 2002 tot en met oktober 2008 onverschuldigd is uitbetaald. Voor de kantonrechter weegt zwaar dat gedaagde na april 2002 er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij in aanmerking kwam voor het invaliditeitspensioen en dat het voor hem, gelet op de toepasselijke CAO’s, allerminst duidelijk was dat hij geen recht op invaliditeitspensioen had. Het voortduren van dat vertrouwen kon hij bovendien gerechtvaardigd ontlenen aan de jaarlijkse opgave die hij van SBB ontving van het hem jaarlijks uitgekeerde invaliditeitspensioen. Bovendien is hij op basis van dat vertrouwen een langdurige hypothecaire verplichting aangegaan bij de vaststelling waarvan rekening gehouden is met het invaliditeitspensioen.
De uitspraak op rechtspraak.nl