Rb. Utrecht 17 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9014
Tussenuitspraak. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom Drogisterijcollege is aangewezen als examenbevoegde instantie. Uit de wetgevingsgeschiedenis bij de Geneesmiddelenwet volgt dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om geen voorwaarden te stellen aan de gewenste opleidingseisen en eventueel gewenste certificering van drogisten. Met het oog op de deregulering die de wetgever voorstond, was het de bedoeling om de kwaliteitsverbetering van de drogisterijbranche, aan de branche zelf over te laten. Bijgevolg werd het voorstel om op dit onderdeel een ministeriële regeling voor te schrijven, niet in de wet opgenomen. Verweerder heeft dus op grond van de Gnw slechts de bevoegdheid om organisaties als examenbevoegde instantie aan te wijzen. Verweerder heeft de ruimte om bij de toepassing van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder qqq, van de Gnw niet het stellen van maatstaven, maar de beoordeling van het individuele geval centraal te stellen. Niet gezegd kan dan ook worden dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een beleidskader vast te stellen (al ziet verweerder de wenselijkheid hiervan wel in en wordt er in overleg met betrokken partijen in het veld aan een beleidskader gewerkt). Het vorenstaande betekent evenwel niet dat bij deze wijze van beoordeling in het per geval genomen besluit niet zou moeten worden gemotiveerd, welke overwegingen hebben geleid tot het standpunt dat een organisatie al dan niet als examenbevoegd kan worden aangewezen. Ook bij de gekozen wijze van beoordeling dient verweerder enig inzicht te geven in de weging van de factoren die leiden tot toe- of afwijzing van het verzoek om aanwijzing als examenbevoegde instantie. Daarmee wordt immers verantwoord hoe in het kader van de beoordeling recht wordt gedaan aan de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en de toepassing van het vereiste van verantwoorde zorg, zoals neergelegd in artikel 62 van de Gnw, in het licht van het algemeen belang, waartoe dit vereiste is gesteld. Door in het bestreden besluit te volstaan met het standpunt dat het Drogisterijcollege voldoet aan de voorwaarden die redelijkerwijs gesteld kunnen worden aan een instantie als bedoeld in de artikel 1, eerste lid, aanhef en onder qqq en rrr, van de Gnw, zonder dat standpunt nader te motiveren, heeft verweerder dat besluit niet op een deugdelijke motivering doen rusten. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl