Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7213

Kort geding. Eiseres vordert bij wege van voorlopige voorziening De Regenboog te veroordelen tot betaling van loon vanaf 13 juli 2011 tot de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW en vermeerderd de wettelijke rente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid van de betreffende loonbedragen, alsmede De Regenboog te veroordelen om haar met onmiddellijke ingang toe te laten haar werkzaamheden te hervatten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, met veroordeling van De Regenboog in de kosten van de procedure. Door de kantonrechter wordt eerst beoordeeld of het al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het eiseres op 13 juli 2011 verleende ontslag op staande voet vernietigbaar is. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter waren er voor De Regenboog voldoende gronden aanwezig die een dringende reden voor een ontslag op staande voet opleveren. De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het aan eiseres gegeven ontslag vernietigbaar is. De door eiseres gevorderde voorziening zal daarom worden geweigerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen