Rb. Utrecht 7 oktober 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7661

Wwb, Wmo, staatloos, ongewenst verklaard, kwetsbaar persoon, art. 8 EVRM Samenvatting: Verweerder heeft eisers verzoek om opvang op grond van de Wmo en eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wwb afgewezen. Gelet op de omstandigheid dat eiser ongewenst is verklaard en dus geen rechtmatig verblijf kan hebben op grond van artikel 8 van de Vw kan hij niet op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van de Wwb voor de toepassing van de Wwb worden gelijkgesteld met een Nederlander. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn verblijfsrechtelijke positie geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van artikel 10, gelezen in samenhang met artikel 11, van de Vw, gelet op zijn verblijfsrechtelijke positie, geen recht heeft op maatschappelijke opvang, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo. De rechtbank is van oordeel dat uit de medische stukken genoegzaam blijkt dat eisers fysieke en psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang. Naar het oordeel van de rechtbank behoort eiser, gelet op zijn, naar objectief medische maatstaf vastgestelde, gezondheidstoestand, tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. In het voorgaande ligt naar het oordeel van de rechtbank niet besloten dat aan eiser, met voorbijgaan aan het in artikel 16, tweede lid, van de Wwb neergelegde koppelingsbeginsel, op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwb bijstand behoort te worden toegekend. De positieve verplichting van de staat in de gegeven omstandigheden recht te doen aan artikel 8 van het EVRM dient naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van de “margin of appreciation” en het primaat van de wetgever, met op de situatie van eiser toegesneden voorzieningen gestalte te worden gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een Wwb-uitkering. De rechtbank is verder van oordeel dat, ondanks dat eiser ongewenst is verklaard en dus geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben, de weigering om hem toe te laten tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen en eisers particuliere belangen, zolang niet vaststaat dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Thans is onvoldoende duidelijk of dat het geval is. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de positieve verplichting van de staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM voort dat aan eiser opvang moet worden geboden, zolang niet vaststaat dat hij Nederland daadwerkelijk kan verlaten. Het is aan de vreemdelingenrechter om te oordelen over eisers stellingen dienaangaande. Naar het oordeel van de rechtbank kan de Wet COA in dit geval niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 van de Wmo. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet de toegang tot de maatschappelijke opvang heeft mogen weigeren. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij zal bepalen dat aan eiser maatschappelijke opvang in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo moet worden verleend. Bij de wijze van verlening van de opvang dient rekening te worden gehouden met eisers medische situatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen