Rb. Utrecht 1 juli 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3436
WOB Wetsartikelen: artikelen 4, 10 eerste lid, sub c en d, 10 tweede lid, sub c, e en g en 11, eerste lid, WOB. Eiser heeft het college van procureurs-generaal verzocht om openbaarmaking van dossierstukken die het college op basis van artikel 2:297, eerste lid, van het BW heeft opgevraagd bij het bestuur van de Stichting CAOP. Het college heeft openbaarmaking gedeeltelijk geweigerd. Niet ter beoordeling staat of de Stichting CAOP heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 2:297, eerste lid, van het BW. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder over nog meer stukken beschikt die vallen binnen de reikwijdte van zijn verzoek. Het college heeft een aantal documenten openbaar gemaakt onder weglating van persoonsgegeven, maar daarbij niet aangegeven welke weigeringsgrond daaraan ten grondslag ligt. De rechtbank vernietigt het besluit in zoverre maar laat de rechtsgevolgen in stand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval in redelijkheid kunnen oordelen dat het belang van openbaarheid van namen, telefoonnummers en e-mailadressen niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen, al dan niet ambtenaar. Het college heeft openbaarmaking van de stukken die bij verweerder berusten als deel uitmakend van het civielrechtelijke procesdossier, terecht geweigerd onder verwijzing naar de bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 28 van het Rv. Het college heeft geweigerd een aantal stukken openbaar te maken onder verwijzing naar van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder de desbetreffende stukken onder een bijzonder regime, te weten de controle- en toezichtstaak van het openbaar ministerie op stichtingen, heeft verkregen. Niet zo zeer juridisch want de desbetreffende stichtingen zijn eenvoudigweg verplicht de gevraagde stukken te verstrekken, maar wel feitelijk, is het openbaar ministerie hier afhankelijk van de medewerking en bereidwilligheid van dergelijke stichtingen de gevraagde stukken te verstrekken. De Stichting CAOP heeft die stukken binnen dat specifieke kader verstrekt en met de enkele omstandigheid dat ze daarmee in handen van een bestuursorgaan zijn, hoefde derde-partij er geen rekening mee te houden dat ze daarom ook openbaar gemaakt zouden worden. Onevenredige benadeling van derde-partij dreigt dan ook. En ook het openbaar ministerie zou voor de effectiviteit van zijn toezichthoudende en controletaak onevenredig benadeeld zijn als stukken die in dit kader zijn verstekt aan de openbaarheid moeten worden prijsgegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl