Rb. Utrecht 20 april 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ2147
Incident ex artikel 843a Rv wordt afgewezen omdat niet voldaan is aan het vereiste van ‘bepaalde bescheiden’. Incident tot het geven van een voorlopige voorziening (artikel 223 Rv) wordt deels toegewezen. Opheffing van een beslag die bij voorlopige voorziening wordt gevorderd wijkt af van een opheffing die bij kort geding wordt gevorderd, in die zin dat een voorlopige voorziening automatisch haar werking verliest zodra in de hoofdzaak uitspraak is gedaan in de instantie die de voorziening heeft verleend. Dit geldt in beginsel ongeacht de beslissing van de rechtbank op de in de hoofdzaak door eisers ingestelde vorderingen. Immers, een beslag vervalt ingevolge artikel 704 lid 2 Rv pas van rechtswege op het moment van het in kracht van gewijsde gaan van de einduitspraak, derhalve pas op het moment dat een eventuele afwijzing van de vordering in de hoofdzaak (in conventie) in kracht van gewijsde is gegaan (wegens het ongebruikt verlopen van de appeltermijn, dan wel het bekrachtigen van het vonnis in hoger beroep en cassatie). Het voorgaande is alleen anders, als in de hoofdzaak een reconventionele vordering wordt ingesteld die tevens strekt tot opheffing van de beslagen. Ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 3 Rv is artikel 438 tweede lid, vierde zin Rv van overeenkomstige toepassing op de opheffing van conservatoire beslagen. Dit betekent dat de rechter bij verzuim van op nietigheid voorgeschreven vormen niet de nietigheid moet uitspreken, maar ook kan bepalen dat de verzuimde formaliteiten worden hersteld. Gelet op de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 66 Rv (Memorie van Toelichting van de Herziening Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, pagina’s 216 en 217) moet het voorts mogelijk worden geacht dat de rechter aan een gering verzuim van de formaliteiten (zoals in casu de onjuiste vermelding van het bedrag waarvoor beslag mag worden gelegd (artikel 719 lid 1 Rv)) geen gevolgen verbindt, indien degene voor wie het exploot bestemd is door het gebrek niet onredelijk is benadeeld. Gelet op het geringe verschil tussen het bedrag waarvoor verlof is verleend en het bedrag dat terzake is genoemd in de beslagexploten, alsmede het feit dat het correcte bedrag aan gedaagden bekend is op basis van de betekening van het verlof is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een ernstig verzuim, dat nietigheid van de beslagexploten tot gevolg moet hebben.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 66 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 704 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 705 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 719 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering