Rb. Utrecht 19 januari 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BP1900
Ingevolge artikel 32 juncto artikel 40 WTBZ worden geschillen over de hoogte van het door een advocaat aan zijn cliënt in rekening gebracht salaris bij uitsluiting van de burgerlijke rechter beslist door de Raad van Toezicht. De rechtbank constateert dat de per 1 november 2010 in werking getreden Wet griffierechten in burgerlijke zaken (WGBZ) deze bepalingen niet heeft doen vervallen (zie artikel 31 WGBZ). Nu het verweer van gedaagde ten aanzien van de het in casu gevorderde bedrag de hoogte van de door eiseres toegezonden declaratie betreft, is de burgerlijke rechter niet bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl