Rb. Utrecht 23 juni 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM8973

Erflater stelt bij testament haar nalatenschap onder bewind. Erfgenaam stelt dat bewindvoerder uit deze nalatenschap geld van hem heeft geleend, omdat de bewindvoerder dit heeft vermeld in zijn door die bewindvoerder opgestelde belastingaangifte. De bewindoverder is inmiddels overleden. Erfgenaam vordert van de echtgenote en erfgename van de bewindvoerder terugbetaling van het geleende bedrag. Rechtbank verwerpt beroep van echtgenote op de exceptio plurium litis consortium en verklaart erfgenaam niet ontvankelijk in zijn vordering voor zover betrekking hebbend op de nalatenschap (art. 4:173 BW).Voor zover de vordering betrekking mocht hebben op overig vermogen, wordt de vordering afgewezen omdat de enkele vermelding van een lening in de belastingaangifte niet voldoende is om het bestaan van die lening aan te nemen. Wilsovereenstemming tot het aangaan van de lening is niet gesteld en er is niet gebleken van een geldstroom van erfgenaam naar de bewindvoerder

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen