Rb. Utrecht 15 januari 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0673
Conservatoire inbeslagneming door het Openbaar Ministerie (OM). Daarbij heeft het OM roerende zaken in beslag genomen en deze vervolgens meegenomen naar elders. De beslagene vordert in kort geding dat het OM alle meegenomen zaken weer bij hem terugbezorgt, althans alle zaken die hij daarvan voor zijn bedrijfsvoering nodig heeft. De vordering wordt afgewezen op de grond (i) dat de beslagene geen gebruik heeft gemaakt van een strafrechtelijke procedure die tegen de inbeslagname openstaat en die met voldoende rechtswaarborgen is omkleed, en (ii) dat onvoldoende aannemelijk is dat de beslagene wegens spoedeisend belang de beslissing in de strafrechtelijke procedure niet zou kunnen afwachten. Ten overvloede wordt overwogen dat de vordering ook op de aangevoerde inhoudelijke grond niet toegewezen zou zijn. Die grond houdt in dat het leggen van het beslag, althans het meenemen van de in beslag genomen zaken, onrechtmatig jegens de beslagene was, waarbij het in het bijzonder gaat om de vraag of het beslag op onjuiste gronden was gelegd; of het OM het beslag onbevoegd heeft gelegd; en of het meenemen van de in beslag genomen zaken disproportioneel was gezien het belang dat de beslagene bij het gebruik van die zaken stelt te hebben. Deze drie vragen worden ontkennend beantwoord.
De uitspraak op rechtspraak.nl