Rb. Utrecht 18 november 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3087
Werkgever ontslaat werknemer aan het eind van de rechtsgeldig overeengekomen proeftijd, omdat hij voor de functie waarin hij was aangesteld niet geschikt was bevonden. Werknemer vordert schadevergoeding omdat werkgever niet als goed werkgever zou hebben gehandeld.De kantonrechter wijst de vordering af, omdat er in dit geval geen ruimte is voor een rechterlijke toetsing van het oordeel van werkgever dat werknemer niet voldeed. Voor schadeplichtigheid op grond van artikel 7:611 BW is in een geval als dit pas sprake, indien de werkgever vanwege de onevenredigheid tussen de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot de uitoefening van de (ontslag)bevoegdheid had kunnen komen. Deze terughoudende toetsing aan de eisen van het goed werkgeverschap komen overeen met die welke in artikel 3:13 lid 2 BW wordt voorgeschreven ter bepaling of van het daar als derde genoemde geval van misbruik van bevoegdheid sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl