Rb. Utrecht 14 oktober 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK0017

Werkneemster vordert vergoeding voor tijdens ziekte opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen en beroept zich daarvoor op de Europese richtlijn 2003/88/EG en het arrest van het Hof van Justitie EG van 20 januari 2009 (Schultz-Hoff). De kantonrechter wijst de vordering (grotendeels) toe, waarbij artikel 7:635 lid 4 in verbinding met artikel 7:638 BW naar de ratio van de richtlijn wordt uitgelegd. Nu werkgeefster de minimum jaarlijkse vakantie tijdens de ziekte van werkneemster niet heeft vastgesteld, is het beroep op artikel 7:635 lid 4 BW onder de gegeven omstandigheden in strijd met het goed werkgeverschap en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De waarde van de vakantiedagen wordt berekend naar de hoogte van het loon, waarop recht bestond in de periode waarin de vakantie is opgebouwd, en waarin deze normaliter ook zou zijn genoten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen