Rb. Utrecht 7 oktober 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ9561

Ontslag bestuurder en ontbinding/opzegging managementovereenkomst met deze bestuurder op de gronden dat deze in strijd met interne afspraken een overeenkomst met de leverancier van de vennootschap is aangegaan tegen ongunstiger condities en dat de bestuurder disfunctioneert. Beroep van bestuurder op art. 2:15 lid 1 onder b BW stuit af op overschrijding termijn van art. 2:15 lid 5 BW. Het standpunt van bestuurder dat in dat geval het besluit tot haar ontslag en tot beeindiging van de managementovereenkomst op de voet van art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing moet blijven wordt verworpen omdat de bestuurder geen verklaring heeft kunnen geven voor het uitblijven van een tijdige vordering als bedoeld in art. 2:15 lid 3 onder a. BW, hoewel zij destijds reeds voorzien was van deskundige juridische bijstand en gesteld noch gebleken is dat dit uitblijven het gevolg is van een omstandigheid die voor rekening van de aandeelhouder moet komen. Bovendien verlangt bestuurder dat de rechter aan de uit te spreken vernietiging iedere werking ontzegt, waauit volgt dat de bestuurder zelf geen behoefte heeft aan het hervatten van haar taak. Rechtbank oordeelt voorts dat in de gegeven omstandigheden geen sprake was van een tekortkoming van de bestuurder, zodat er geen grond was voor ontbinding van de managementovereenkomst. Wel treft de opzegging van de managementovereenkomst doel.Opzegging is mogelijk gelet op het bepaalde in art. 7:408 BW en deze was in de gegeven omstandigheden niet in strijd met het bepaalde in art. 6:2 en 6:248 BW. Tussen de vennootschap en bestuurder was geen opzegtermijn overeengekomen. De vraag, onder welke voorwaarden, zoals het hanteren van eenopzegtermijn of het toekennen van een schadevergoeding, de overeenkomst kan worden opgezegd moet worden beantwoord aan de hand van de redelijkehid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval. In dit geval is sprake van een in een vennootschap vorm gegeven persoonlijk samenwerkingsverband, waarbinnen het voor dat samenwerkingsverband noodzakelijke onderlinge vertrouwen is komen te vervallen. Het hanteren van een opzegtermijn is dan niet wenselijk. Wel is de vennootschap in de omstandigheden van dit geval gehouden een schadevergoeding te betalen aan de bestuurder gelijk aan de managementvergoeding van één maand. De bestuurder is tevens (minderheids-)aandeelhouder van de vennootschap. Haar vordering om de beide overige aandeelhouders te veroordelen haar aandelen over te nemen op de voet van art. 2:343 BW wordt toegewezen nu het gaat om een na een aantal jaar ontstane verstoring in de persoonlijke samenwerking tussen de beide bestuurders (tevens minderheidsaandeelhouders) van de vennootschap waarbij de derde aandeelhouder steun heeft toegezegd aan de overblijvende bestuurder. De vraag of het ontslag van de bestuurder terecht is gegeven is voor de beoordeling van deze vordering niet relevant. De rechtbank wijst een deelvonnis, waarbij alleen de beslissing op de vordering tot vaststelling van de koopprijs van de aandelen wordt aangehouden en dus in zoverre als tussenvonnis wordt aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen