Rb. Utrecht 25 september 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ8852
Trefwoorden: subsidie, op de zaak betrekking hebbende stukken, subsidieplafond, vooringenomenheid. Samenvatting: Eiseres heeft aangevraagd in het kader van het subsidieprogramma Resultaten Ontwikkelingssamenwerking (PRO) bij de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO). De NCDO heeft de aanvraag beoordeeld volgens het zogenoemde tender-systeem, hetgeen inhoudt dat verweerder de in een afgebakende periode ingediende aanvragen gelijktijdig onderling inhoudelijk beoordeelt en ten opzichte van elkaar rangschikt op basis van punten per eigenschap van het project. De aanvraag van eiseres is afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de NCDO in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Uit de toelichting bij de PRO blijkt dat de NCDO een ruim toetsingskader voor ogen heeft gestaan op de eigenschap aanvullendheid. Niet in te zien valt dan ook waarom de NCDO de aanvraag van eiseres niet heeft kunnen toetsen aan het totale aanbod van informatievoorziening over internationale ontwikkelingssamenwerking. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet heeft aangetoond dat met haar project voornamelijk mensen zullen worden bereikt die nog niet bij internationale samenwerking zijn betrokken. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar standpunt dat de NCDO haar inzage had moeten geven in de aanvragen voor de andere projecten om te kunnen beoordelen of het terecht is dat sommige andere projecten wel punten toegekend hebben gekregen voor bijvoorbeeld het aspect ‘doelgroep’ en haar project niet. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 januari 2008 (LJN: BC2707). De NCDO heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juni 2009 (LJN: BJ2689). Met de NCDO is de rechtbank van oordeel dat de stukken die betrekking hebben op de concurrerende aanvragen geen op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42, eerste lid, van de Awb. Daartoe is met name redengevend dat bij het aan de aanvraag van eiseres toekennen van punten op de verschillende onderdelen geen vergelijking is gemaakt met de concurrerende aanvragen maar met het gehele aanbod aan projecten in Nederland op het gebied van internationale ontwikkelingssamenwerking. Onder die omstandigheden voert het te ver om voor een beoordeling van het toegekende puntenaantal aan de aanvraag van eiseres inzage te verschaffen in alle overige in die maand ingediende aanvragen. De NCDO was derhalve niet gehouden deze stukken in de bezwaarfase voor eiseres ter inzage te leggen dan wel in de beroepsfase aan de rechtbank te doen toekomen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl