Rb. Utrecht 31 augustus 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7990
Aanvragen vrijstelling en korting op de basispremie WAO. 1998 tot en met 2001. Terugvordering T.a.v. de aanvragen 1998 en 1999: buiten de termijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV ingediend en toegekend. Hetgeen onverschuldigd is betaald kanverweerder terugvorderen. T.a.v. de aanvragen 2000 en 2001: sprake van onverschuldigde betaling. Eiseres had ten tijde van de aanvraag niet de beschikking over eigen gegevens waaruit blijkt dat de betrokken werknemers de gestelde arbeidsgehandicaptenstatus hebben(gehad). Buitenwettelijk beleid ten aanzien van premiejaar 2000, dus artikel 13, eerste lid, van de CSV kan niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit voor dit premiejaar. Beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen. T.a.v. 2001: Met verweerder stelt de rechtbank vast dat de aanvragen vlak voor het einde van de termijn waarin premie kan worden vastgesteld, zijn gedaan, namelijk op 13 december 2006. Gevoegd bij de omstandigheid dat eiseres de aanvraag niet heeft onderbouwd en zelf niet over bewijsstukken beschikt dat de betrokken werknemers arbeidsgehandicapt zijn, voert het naar het oordeel van de rechtbank in deze bijzondere omstandigheden te ver om dan de termijn van vijf jaar na het kalenderjaar waarover premie verschuldigd is geworden, bepalend te laten zijn voor de (beantwoording van de) vraag of verweerder het onverschuldigde bedrag over 2001 mag terugvorderen. Daarbij is van belang dat verweerder er achter is gekomen dat op grote schaal tekortkomingen in de uitvoering hebben plaatsgevonden. In de gegeven bijzondere omstandigheden mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank datgene wat ten onrechte is betaald, terugvorderen.
De uitspraak op rechtspraak.nl