Rb. Utrecht 6 augustus 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1791
Artikel 13, zesde lid, van de Dagloonregels moet - als zijnde onverbindend - bij het vaststellen van de hoogte van het WW-dagloon van eiseres buiten toepassing worden gelaten. Door de toegekende WW-uitkering niet te baseren op het door eiseres laatstgenoten loon of op het WAO-dagloon maar op het (lagere) WAO-vervolgdagloon wordt het loondervingsbeginsel als grondslag voor de berekening van het WW-dagloon verlaten. Artikel 13, zesde lid, van de Dagloonregels is daarmee in strijd met artikel 45, eerste lid, van de WW. De vraag of dit artikellid niettemin verbindend is, nu op grond van artikel 45, tweede lid, van de WW zo nodig in afwijking van het eerste lid nadere regels kunnen worden gesteld, beantwoordt de rechtbank ontkennend. De bevoegdheid van de lagere regelgever om van artikel 45, eerste lid, van de WW af te wijken, strekt niet zover dat het loondervingsbeginsel als grondslag voor de dagloonberekening mag worden verlaten en mag worden vervangen door een uitkeringsgrondslag gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon.
De uitspraak op rechtspraak.nl