Rb. Utrecht 3 april 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA2326
Het bezwaarschrift is na afloop van de bezwaartermijn bij het gemeentehuis afgegeven. Verweerder verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar. Eiseres gaat hiertegen in beroep. Ze voert ten eerste aan dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend omdat de bezwaartermijn pas begint te lopen op het moment dat het taxatieverslag is ontvangen. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. Het taxatieverslag maakt geen deel uit van de in art 23 Wet WOZ gestelde eisen aan een beschikking. De bezwaartermijn is aangevangen de dag na dagtekening van de beschikking (art. 22j, letter a, AWR) en niet na ontvangst van het taxatieverslag. Ten tweede stelt eiseres dat medewerkers van de gemeente haar hebben meegedeeld dat er 14 dagen uitstel is verleend voor het indienen van het bezwaarschrift. Het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift is daarom volgens eiseres verschoonbaar. Gemachtigde, die overigens pas in de beroepsfase als zodanig is gaan optreden, heeft verweerder destijds persoonlijk gevraagd het verlengen van de termijn op schrift te stellen. Dit heeft verweerder geweigerd. De rechtbank ziet hierin eerder een ontkenning dan een bevestiging van het toegekende uitstel. Hetgeen door eiseres wordt aangevoerd vormt onvoldoende reden om het niet tijdig instellen van het bezwaar verschoonbaar te achten. De rechtbank concludeert dat hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl