Rb. Utrecht 31 januari 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ7849

Een Stichting wordt onbevoegd vertegenwoordigd ter zake het doen stellen van een bankgarantie van USD 9.400.000,00. De Stichting geeft aan de bank een contragarantie af ter hoogte van hetzelfde bedrag. De vraag doet zich voor of de Stichting vervolgens een besluit heeft genomen tot het doen stellen van de bankgarantie en het afgeven van de contragarantie, waardoor de eerder onbevoegd gegeven opdracht aan de bank mogelijk is bekrachtigd. Veronderstellend dat de Stichting dit besluit heeft genomen en dit ook tot bedoelde bekrachtiging heeft geleid, behandelt de rechtbank de vraag of de Stichting tot het doen stellen van een bankgarantie en het vervolgens afgeven van de contragarantie op grond van de wet of haar statuten ook heeft mogen besluiten. Veronderstellend dat ook deze vraag positief worden beantwoord, dan is de vervolgvraag of zij dat heeft gedaan met inachtneming van alle daarvoor in de statuten voorgeschreven (voorafgaande) handelingen. De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief, omdat de Stichting door het doen stellen van de bankgarantie zich sterk heeft gemaakt voor een derde in de zin van artikel 2:291 lid 2 BW en de in de statuten vereiste voorafgaande toestemming van twee kerkelijke instanties voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst heeft ontbroken. Hierdoor is het besluit tot het doen stellen van de bankgarantie nietig (2:14 lid 1 BW). Op grond van de omstandigheden van het geval komt de bank tegen deze nietigheid geen bescherming toe in de zin van artikel 2:16 BW. Ook het leerstuk van de redelijkheid en billijkheid biedt de bank geen uitkomst. Dit volgt uit het stelsel van de wet. Ook komt nog de vraag aan de orde of bedoelde nietigheid van het besluit door bekrachtiging is weggenomen (2:14 lid 2 BW). Dat is niet het geval, omdat de twee kerkelijke instanties niet alsnog hun toestemming voor het doen stellen van de bankgarantie hebben gegeven. In het licht van deze overwegingen dient de bank het onder de bankgarantie betaalde bedrag van USD 9.400.000,00. terug te betalen aan de Gemeente, aan wie de vordering van de Stichting op de bank is verpand. Een vordering van de Gemeente uit hoofde van onrechtmatige daad wordt verworpen. De bank heeft jegens de Gemeente namelijk niet haar zorgplicht geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen