Rb. Utrecht 12 mei 2004, ECLI:NL:RBUTR:2004:AO9276

Verzoek om een voorlopige voorziening. Ontheffing verleend ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder d van de Ffw van artikel 9 van de Ffw, voor de afschot van vossen ter voorkoming van schade aan flora en fauna (weidevogels), aan de faunabeheereenheid Utrecht op basis van een op 9 maart 2004, conform artikel 30 van de Ffw, goedgekeurd faunabeheerplan. Het verlenen van ontheffingen op basis van een goedgekeurd Fbp betreft de uitoefening van een bevoegdheid met ruime beoordelingsmarges, waarbij het aan verweerder is om de daarbij betrokken belangen af te wegen met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. De ontheffingen zijn verleend in overeenstemming met het daartoe strekkend advies in het Faunabeheerplan. Gelet hierop kan voorshands niet worden gezegd dat verweerder bij de voorbereiding van de besluiten niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen zou hebben vergaard of dat er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de met de besluiten te dienen algemene belangen (in het onderhavige geval het met toepassing van beheersmaatregelen voorkomen van schade aan flora en fauna) versus de belangen van verzoekster (de bescherming van de natuurlijke ontwikkeling van de fauna), dat moet worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid niet tot ontheffingverlening heeft kunnen overgaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen