Rb. Utrecht 26 februari 2004, ECLI:NL:RBUTR:2004:AO5758
Voor de vraag of eiser recht heeft op een Wajong-uitkering indien hij feitelijk niet gedetineerd is geweest, dient beoordeeld te worden of eiser op 5 augustus 2001 in vrijheid is gesteld hetgeen op grond van artikel 20a, eerste lid, van de Wajong recht geeft op heropening van zijn uitkering. Een grammaticale uitleg brengt de rechtbank tot de conclusie dat voor de in vrijheidsstelling een bepaalde handeling is vereist nu in voornoemd artikel de zinsnede "in vrijheid wordt gesteld" wordt gebezigd. De verwijzing in de parlementaire behandeling van de Wsg naar het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering staaft deze conclusie. Voor de beoordeling van de vraag of eiser gedurende de periode van 5 augustus 2001 tot 22 april 2002 rechtens van zijn vrijheid is ontnomen in de zin van artikel 17, vijfde lid, van de Wajong en of op hem derhalve de Wsg van toepassing is, sluit de rechtbank aan bij de bedoeling van de wetgever.
De uitspraak op rechtspraak.nl