Rb. Utrecht 5 november 2003, ECLI:NL:RBUTR:2003:AN9156
Verzoekers hebben te behoeve van de minderjarige een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) aangevraagd. Op grond van artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) wordt de aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Indien niet langs de geëigende weg conform de voorwaarde die is gesteld in artikel 28 van de Wet opneing buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) een kind uit het buitenland wordt meegenomen met het doel dit te adopteren, de procedure van de Vreemdelingenwet dient te worden gevolgd om tot legalisering van het verblij van de minderjarige in Nederland te komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl