Rb. Utrecht 27 augustus 2003, ECLI:NL:RBUTR:2003:AI1636

In gevolge art. 1:133 lid 2 BW heeft de verplichting tot verrekening uitsluitend betrekking op inkomsten die, of op vermogen dat, de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. Dit betekent dat de wettelijke regeling in beginsel geen betrekking heeft op door partijen bij huwelijk aangebrachte vermogensbestanddelen. Aangezien de woning vóór huwelijkssluiting door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is gekocht en aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is geleverd, en bovendien is opgenomen in de staat van zijn aanbrengsten, komt de overwaarde daarvan niet voor verrekening in aanmerking. Partijen verschillen van mening over de peildatum voor de vaststelling van de afkoopwaarde van voornoemde polissen. [Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft de echtscheidingsdatum als peilmoment genoemd. [Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gaat uit van de datum van verbreking van de samenwoning omdat ingevolge art.5 van de huwelijksvoorwaarden na die datum partijen niet meer tot verrekening gehouden zijn. In overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad in het arrest HR 28 maart 1997, NJ 1997 nr 581 (zie blz. 3148 onder nr. 3.6) heeft overwogen, dient voor de waardebepaling van de te verrekenen polissen, de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen te worden gehanteerd. Dit is in overeenstemming met de strekking van de onderhavige vordering tot verrekening. Die vordering heeft immers betrekking op de gevolgen van het niet naleven van het tussen partijen geldende periodieke verrekenbeding. Dit betekent dat voor de vaststelling van de daaruit voortvloeiende verrekeningsvordering uitsluitend de periode relevant is waarover partijen jegens elkaar tot verrekening waren gehouden. Als peildatum voor de waarde van de polissen heeft dus 30 april 1998 te gelden. Met verwijzing naar hetgeen de rechtbank in nr. 4.11 heeft overwogen, komt de (verkoop)waarde van de woning te [A], die is opgenomen in de lijst van aanbrengsten van de vrouw, in beginsel niet voor verrekening in aanmerking. Als al aangenomen kan worden dat de woning een positief rendement heeft opgeleverd, hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft betwist, dan is daarin onvoldoende reden gelegen om de waarde of verkoopopbrengst van de woning aan te merken als te verrekenen vermogen. De uitspraak van de Hoge Raad in HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383 (Bal/Keller) geeft geen steun aan de opvatting van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]. Immers in de casus die ten grondslag ligt aan dat arrest was, anders dan in deze zaak, sprake van een goed (in dat geval aandelen) dat tijdens het huwelijk was verkregen. Bovendien kan uit de overwegingen van de Hoge Raad in dat arrest niet afgeleid worden dat zij daarmee heeft bedoeld dat, voor de vraag of de waardestijging van een goed voor verrekening in aanmerking komt, uitsluitend beslissend is of het goed al dan niet inkomsten heeft gegenereerd. Bovendien ziet [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kennelijk over het hoofd dat, als het al zo zou zijn dat de woning inkomen heeft gegenereerd, dat inkomen geen inkomen uit arbeid betreft en reeds om die reden op grond van art. 8 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden niet onder de verrekenplicht van partijen valt. Dit betekent dat de verkoopopbrengst van de woning te [A] buiten het te verrekenen vermogen blijft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen