Rb. Utrecht 10 oktober 2002, ECLI:NL:RBUTR:2002:AE8470

Bij een WOB-verzoek m.b.t. beroepsmatige activiteiten dient eerbiediging persoonlijke levensfeer sterk gerelativeerd te worden t.o.v. het met openbaarheid te dienen belang Besluit van verweerder om het onderzoeksrapport van een door eiser (De Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht) naar aanleiding van het overlijden van een patiënt ingestelde onderzoekscommissie, openbaar te maken. Aan de orde is de vraag of verweerder bij zijn belangenafweging in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het openbaarheidsbelang in het onderhavige geval zwaarder weegt dan de door eiser gestelde belangen. Het onderzoeksrapport is geanonimiseerd en heeft uitsluitend betrekking op gedragingen van de betrokken artsen die rechtstreeks in verband staan met hun beroepsmatige activiteiten. Onder deze omstandigheden dient het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer sterk gerelativeerd te worden t.o.v. het met de openbaarheid te dienen belang. Dit is niet anders wanneer naar verwachting de openbaarmaking van de informatie omtrent het beroepsmatig functioneren van de betrokkenen een negatieve weerslag zal hebben op hun persoonlijke leven, tenzij daardoor sprake zou zijn van een onevenredige benadeling van betrokkenen in relatie tot het met de openbaarmaking te dienen belang. (..) In het geval van openbaarmaking van het onderzoeksrapport kan niet worden uitgesloten dat een publieke discussie zal plaatsvinden over de bevindingen en aanbevelingen van het onderzoeksrapport en over de maatregelen die eiser naar aanleiding daarvan heeft genomen, alsmede over de wijze waarop de Inspectie in dit geval invulling heeft gegeven aan haar toezichthoudende taak. Niet is aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van het rapport ondanks de maatregelen die eiser heeft genomen mogelijk zal leiden tot sluiting van de afdeling, mede gelet op hetgeen over deze kwestie al in de publiciteit is geweest. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat geen sprake is van onevenredige benadeling van het UMCU en andere betrokken derden in relatie tot het zwaarwegend algemeen belang dat in het onderhavige geval is gediend met de openbaarmaking van het onderzoeksrapport. Verweerder heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten de gevraagde informatie openbaar te maken. Beroep ongegrond. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder. mrs T. Dompeling, P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, P.M.E. Bernini

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen