Rb. Utrecht 20 december 2001, ECLI:NL:RBUTR:2001:AD8043
Intrekking WAO-uitkering ogv art. 43.5 WAO: art. 69, aanhef en onder b van Verdrag 102 aan te merken als bepaling die een ieder verbindt in de zin van artt. 93 en 94 Grondwet; gekozen maatregel kan toetsing aan art. 1 van het Eerste Protocol EVRM doorstaan. Verweerder heeft m.i.v. 1 juni 2000 eisers WAO-uitkering onder toepassing van art. 43.5 WAO ingetrokken. Rechtbank beantwoordt de vraag of artikel 69, aanhef en onder b, van Verdrag 102 moet worden aangemerkt als een bepaling die een ieder verbindt in de zin van artt. 93 en 94 van de Grondwet, bevestigend. Rechtbank overweegt daartoe dat de redactie van artikel 69, aanhef en onder b, in relatie tot het minimum-karakter zowel van Verdrag 102 in zijn algemeenheid als van deze bepaling in het bijzonder, voldoende nauwkeurig en concreet is om te bewerkstelligen dat deze bepaling door de beschermde personen kan worden ingeroepen ter toetsing van de krachtens het nationale recht verleende aanspraken aan de standaard van Verdrag 102, zodat in die zin gesproken kan worden van een verdragsbepaling die naar haar inhoud een ieder kan verbinden in de zin van arti-kel 93 van de Grondwet. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser voorts worden aangemerkt als een 'beschermd persoon' in de zin van artikel 55, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 69, aanhef, van Verdrag 102. Ingevolge artikel 55, aanhef en onder a, juncto artikel 53 moeten tot de beschermde personen, aan wie invaliditeitsuitkeringen moeten worden gewaarborgd, worden gerekend voorgeschreven groepen van loontrekkenden, wel-ke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden. Nu eiser, als loontrekkende, uitkering ontving op grond van de WAO, valt hij onder de bescherming van de tak van sociale zekerheid als in casu weergegeven in deel IX, uitkeringen bij invaliditeit, van Verdrag 102. Als overwogen kan ingevolge artikel 69, aanhef en onder b, van het Verdrag 102 eisers uitkering worden geschorst zolang zijn onderhoud ten laste van de overheid komt en moet, wanneer de uitkering de kosten van dat onderhoud te boven gaat, het verschil worden verstrekt aan de personen, die ten laste van eiser zijn, in casu zijn kinderen. Rechtbank is van oordeel dat onder het begrip schorsing van de uitkering in voornoemd artikel mede moet worden verstaan de intrekking van de uitkering met de mogelijkheid van heropening indien de grond die tot intrekking aanleiding gaf zich niet langer voordoet, zoals bepaald in artikel 43, vijfde lid, in samenhang met artikel 47b van de WAO. Blijkens de MvT bij de Wsg (Kamerstukken 26 063, TK 1997-1998 nr. 3) zijn de kosten van het onderhoud per gedetineerde - gezien de hoogte van de kosten in het Nederlandse gevangeniswezen - in het algemeen hoger dan de uitkering die een betrokkene zou ontvangen op grond van de WAO zodat er geen, aan de ten laste van de gerechtigde komende personen, uit te keren surplus zal resteren. . De rechtbank ziet geen aanleiding dit uitgangspunt ten aanzien van eiser, gelet op de hoogte van zijn uitkering, voor onjuist te houden zodat niet kan worden gezegd dat de intrekking van eisers uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 juni 2000 in strijd komt met het bepaalde in artikel 69 van Verdrag 102. Het moge zo zijn, zoals eiser heeft gesteld, dat hij zijn alimentatieverplichtingen niet meer kan nakomen doch daarin voorziet artikel 69, aanhef en onder b, van Verdrag 102 niet terwijl bovendien iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht kan doen gelden op bijstand van overheidswege. Eiser is verder van mening dat sprake is van inbreuk op het recht om te mogen be-schikken over zijn eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Dit artikel luidt als volgt: Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Blijkens de inhoud van de bepaling wordt hierdoor niet het recht aangetast, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Gelet op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 16 september 1996 (Gaygu-suz/Oostenrijk), gepubliceerd in o.a. AB 1997/179, moet de vraag of een aanspraak op uitkering ingevolge de WAO voldoende concreet en be-paalbaar is om als een vermogensrecht en daarom als een eigendomsrecht in de zin van het EVRM te kunnen worden aangemerkt, positief worden beantwoord, zodat in casu kan worden gesproken van een ontneming van eigendom als be-doeld in de tweede zin van genoemd artikel 1 van het Eerste Protocol. Uit het arrest van het EHRM van 20 november 1995 inzake Pressos/België, NJ 1996/593, blijkt dat onder meer ook politieke overwegingen een inbreuk op het eigendomsrecht (mede) kunnen rechtvaardigen. De Staten hebben ingevolge het arrest van het EHRM van 20 november 1995 (Pressos Compania Naviera S.A. e.a./België) een ruime "margin of appreciation" ten aanzien van de vraag wat in het algemeen belang is op het gebied van de sociale en economische politiek. De keuze van de wetgever wat in het algemeen belang is, dient te worden gerespecteerd, tenzij die keuze ‘manifestly without reasonable foundation’ is. De ‘margin of appreciation’ die de wetgever volgens het EVRM toekomt om in het algemeen belang een inbreuk te maken op het eigendomsrecht is ruimer dan bij het beperken van andere door het EVRM gewaarborgde rechten. Anders dan bij die rechten het geval is, is een inbreuk op het eigendomsrecht niet alleen gerechtvaardigd wanneer deze noodzakelijk moet worden geacht in het algemeen belang, maar reeds wanneer deze in het algemeen belang wenselijk mag worden geoordeeld. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de Wsg liggen aan de Wsg, die ertoe strekt om uitkeringen gedurende de detentie-periode te beëindigen, onder meer de overwegingen ten grondslag dat beoogd wordt sociale onrechtvaardigheid uit de weg te ruimen en dat het in onze samenleving onaanvaardbaar wordt geacht dat tijdens detentie uitkeringen worden ontvangen, terwijl loontrekkenden gedurende de detentie geen loon ontvangen. Gelet op deze om-standigheden, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de Staat tijdens de detentie in de kosten van het levensonderhoud van de gedetineerde voorziet, heeft de wetgever het niet aanvaardbaar geacht dat een uitkeringsgerechtigde, die uitgaven voor kost en inwoning bespaart, zijn uitkering behoudt. Voorts wordt in de Wsg een overgangsperiode van een maand gehanteerd en wordt het recht op uitkering heropend vanaf de dag dat de gedetineerde in vrijheid wordt gesteld. Rechtbank is van oordeel dat de gekozen maatregel toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol kan doorstaan. Het Lisv, verweerder. mrs. J.G.Th. Engelberts, M.C.M. van Laar, J. Ebbens Verdrag 102, 69 aanhef en onder b Grondwet 93, 94 EVRM Eerste Protocol 1 WAO 43.5 Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden XV WSG XV
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 37 Sr
- Artikel 37a Sr
- Artikel 1 WAO
- Artikel 43 WAO
- Artikel 47b WAO
- Artikel 7:2 Awb
- Artikel 7:3 Awb
- Artikel 8:72 Awb
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 69 Verdrag betreffende minimum-normen van sociale zekerheid