Rb. Utrecht 8 augustus 2000, ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8130
Gerede twijfel aan bereidheid en/of vermogen van verweerder om gevolg te geven aan rechterlijke uitspraken leidt tot opleggen dwangsom als bedoeld in art. 8:72, zevende lid Awb. Verzoek en beroep richten zich tegen fictieve weigering om ter voldoening aan de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2000 een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In het algemeen mag van bestuursorganen als verweerder worden verwacht dat met voortvarendheid wordt overgegaan tot uitvoering van rechterlijke uitspraken. Met name is onder de omstandigheden van dit geval niet te aanvaarden dat voor een nieuw besluit zonder meer na het onherroepelijk worden van meergenoemde uitspraak van de rechtbank een termijn wordt genomen met toepassing van het bepaalde in art. 7:10 Awb, met inbegrip van de verdagingsmogelijkheid. Het onderhavige geschil speelt al zeer geruime tijd, zodat aan de betrokken partijen voldoende bekend moest zijn op de grondslag van welke feiten en met afweging van welke belangen de besluitvorming dient plaats te vinden. Bij de beoordeling van verweerders opstelling terzake kan bovendien niet buiten beschouwing blijven dat thans reeds twee maal besluiten van verweerder bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn vernietigd. Met eiser wordt dan ook geoordeeld dat er sprake is van een fictieve weigering om een nieuw besluit te nemen, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar moet worden vernietigd; verweerder moet worden opgedragen met grote voortvarendheid alsnog een besluit op dat bezwaar te nemen. Verweerder wordt daartoe een termijn gesteld van drie weken na heden (de datum van de mondelinge uitspraak). Gegeven het feit dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 6 april 2000 en zelfs, naar ter zitting is medegedeeld nog geen enkel besluit heeft genomen over aan meergenoemde uitspraak te verbinden consequenties, is gerede twijfel gerezen aan de bereidheid en/of het vermogen van verweerder tot het gevolg geven aan rechterlijke uitspraken. Deze twijfel wordt nog versterkt nu gebleken is dat verweerder m.b.t. de bedrijfsoppervlakte van andere feiten uitgaat dan inmiddels in de onherroepelijk geworden uitspraak zijn vastgesteld. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat sprake is van een (uitzonderings)geval waarin termen aanwezig zijn om verweerder met toepassing van het bepaalde in art. 8:72, vijfde en zevende lid Awb een dwangsom op te leggen, te verbeuren aan verzoeker, indien niet met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraak in het geding onder nummer SBR 98/2206 binnen drie weken na heden een nieuw besluit op bezwaar wordt genomen. Het college van burgemeester en wethouders van Zeist, verweerder. mr. C. Slothouber (president)
De uitspraak op rechtspraak.nl