Rb. Utrecht 12 oktober 2000, ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8126

Werkgever heeft afgeleid belang bij weigering AAW/WAO-uitkering aan werknemer, aangezien loondoorbetaling tijdens veronderstelde arbeidsongeschiktheidsperiode voortvloeit uit arbeidsrechtelijke verhouding. Tegen besluit tot weigering AAW/WAO uitkering aan werknemer is door eiseres (werkgever) bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Rechtbank: In casu kan het belang van eiseres niet gelegen zijn in het voorkomen van de voor haar rekening blijvende dan wel komende kosten als gevolg van arbeidsongeschiktheid van haar werknemer. Deze laatste wordt immers ingevolge het bestreden besluit niet arbeidsongeschikt geacht, terwijl overigens ook niet is gebleken dat de werknemer ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid reeds bij eiseres in dienst was. De rechtbank leidt uit het door eiseres gestelde in de bezwaar- en beroepsprocedure echter af, dat eiseres haar belang gelegen acht in het gegeven dat zij gedurende de door haar - veronderstelde - periode van arbeidsongeschiktheid van de werknemer als werkgever het loon ten onrechte volledig heeft doorbetaald. De verplichting tot betaling van het loon vloeit niet direct voort uit de omstandigheid, dat de werknemer niet als arbeidsongeschikt wordt aangemerkt, maar uit de arbeidsrechtelijke verhouding tussen eiseres en haar werknemer. Het belang van eiseres kan daarom niet worden gekwalificeerd als een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang, maar als een daarvan afgeleid belang. Eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaard in bezwaarschrift. Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. drs. R. in 't Veld

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen