Rb. Utrecht 7 september 2000, ECLI:NL:RBUTR:2000:AA7921
Vraag of in 1996 gedane nabetalingen als gevolg van de door de werknemers gewonnen beroepsprocedures met betrekking tot de hoogte van hun WAO-uitkeringen moeten worden betrokken bij de berekening van de gedifferentieerde premie. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de regelgever geen oog heeft gehad voor de situatie als in casu aan de orde, waarbij de werkgever als gevolg van een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het jaar twee jaar regelgever heeft dit terecht geacht nu de uitkering over de jaren waarop deze betrekking heeft niet is meegenomen in de arbeidsongeschiktheidslast in de jaren voorafgaande aan het nadien komt te staan voor een eenmalige hogere gedifferentieerde premie. De jaar waarin de uitkering in een keer alsnog is uitbetaald. Zulks leidt in het onderhavige geval tot de vaststelling dat de nabetalingen in 1996 bij de berekening van de opslag aan dat jaar moeten worden toegerekend, hetgeen tot gevolg heeft dat voor eiseres in 1998 de hogere gedifferentieerde premie op 1,09% wordt vastgesteld. De rechtbank komt tot de conclusie dat de zijdens eiseres aangedragen grieven niet kunnen leiden tot een gegrondverklaring nu daarvoor in de regelgeving geen steun kan worden gevonden. Beroep ongegrond. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder mrs P.K. Nihot, M.C.M. van Laar, T. Dompeling
De uitspraak op rechtspraak.nl